Menheere van ’t Ypertje, ‘k Was met de kermisse en keer naar Zoetenaaie gegaan om […]
Kermisherinneringen uit het Wervik van 1912 Het is kermisavond! De lucht pronkt. Een schof van […]
Ook onderstaand fragment zal te lezen zijn in deel 10 van ‘De Kronieken van de […]
Glazeken een is geen
Glazeken twee is meer als een
Glazeken drie makt my bly
Glazeken vier is goe bier
Op het gehucht Toesel staat een weinig bezijden de weg de herberg ‘De Brouwerij’ bewoond door het huishouden Depauvez-Vangheluwe, zonder kinderen.
Verleden jaar stonden we hier allemaal op dezelfde plek rond de kiosk ter gelegenheid van de bruiloft van Camielten en Sidonieken. ’t Was een schoon feest met vele plezier en leute. Achteraf zijn ze gaan huizenieren in de patronage. Ze moeten ’t daar goed gesteld hebben, want kijk, een jaar daarna en ze staan hier weer met een ZOON!
Uit Wijtschate Over 14 dagen was het alhier de gemeentekermis. Dat de feestelijkheden weinig belang […]
Hoewel de dagen niet behagen
En mensen met reden klagen,
Hoewel de tijd nadelig is
Is het nochtans kermis.
Petrus Vraeghe, Pier Paelinck in de wandelinge, was de jongste uit een bende van acht. Broers en zusters waren allemaal uitgetrouwd en voor hun eigen.
’t Is beter een veugel in de hand als twee op d’haeghe.
Wat baat de keerse en bril, als den uyl nie zien en wil.
Rode baard, Duivelse aard. Men zei dat Judas een rode baard gehad heeft, en hield daarom een rode baard voor een merkteken van een kwaadaardige mens.
Robert Beddeleem (1937) en zijn echtgenote Maria Persoon (1941) uit Vlamertinge, hij afkomstig van Abele (Poperinge), zij van Watou, hebben in hun jonge jaren veel hop geplukt.
’t Was opnieuw voor de zoveelste keer kermisse, koekeboterhammen, hespe en gebraan peeren, konijnen en kiekens met suikerboonen en erwitjes en overal taarte.
Ter inleiding: de koeke van kinders was zo één van die kinderkwalen waar men voor ging dienen. Een soort vage buikziekte die gepaard ging met maagkrampen, spijsverteringsklachten en andere ongemakken van de darmen.
Zondag laatst, rond 18u30 was de kermis volop aan de gang bij het gehucht ‘Smiske’. Volk bij de vleet, gelijk ten andere heel de kermis door, in de herbergen en ook langs de baan waar men druk bezig was de volksspelen voor te bereiden toen er al met eens een autocar, volgepropt met Engelse soldaten in volle vaart, vanuit de richting Ieper naar Diksmuide te wege, aansnelde.
Er zijn gebruikelijke gezegden aan te stippen: je zit oolsan in dadus, ter lich toa zeker nen traekploaster, je skiet to wortels, je lich to moa joengen, joazd achter da meiske, zien oeogen goan verkloaren, ze zien in kaenaesse, ze vriijen dat skowe gif,..da kotje rok, ..dad ulde iemde wikkelt, …dat skufelt, ….dat ole miensken te vele skil, ze zien van mallekoar niet skippelijk, of raker nog, maar verre van deftig: ze keunen nie pissen of kakken zoender malkoar.
’t Is kermis! Weken op voorhand reeds kregen de huizen een schildering, werden beplakt en geplaasterd, en van boven tot beneden.
Met Pameltje die zoals gewoonlijk al de bazen en bazinnen heeft te been gebracht, is de kermisweek afgelopen en keert Poperinge onder de slaapmantel terug waaronder het sedert zo lange jaren tot zijn nadeel ligt te kwijnen. Dank zij aan de plichtige werkloosheid van zijn bestuurders die niets weten in te richten om het leven in stad te onderhouden en het door welgepaste feesten soms te vernieuwen.
Ziehier wat we vernemen wegens de moord te Elverdinge, gepleegd op de 30ste juni 1862. De man van den huize waar de moord gebeurde, is een kleine landbouwer die een weinig ten uitkante van de dorpsplaats woont en sedert enige maanden weduwnaar is.
De bolling der kermisweek heeft nog al tal liefhebbers naar stad aangelokt en voorzeker een schoon profijt bijgebracht oor al de herbergiers der Duinkerkstraat. Om 3 ure waren er omtrent 1200 ingeschrevenen. De bolling opgeluisterd door eenige leden van het stadsmuziek, heeft veel bijval genoten. Van tijd tot tijd kwam wel eene duchtige regenvlaag de bolders verfrisschen, maar deze zagen er nooit voor om.
Onverwacht trad de winter in. Al de ratten vroren dood. De hutten kraakten ’s nachts en boven menig bed hing een open regenscherm om de fijne sneeuw op te vangen. Maar hout om te stoken was er voor het rapen en de koolkarren reden op de hard bevroren grond als op hobbelige stenen.