Een sulfertje in tien en een pintje in een teugje: spaarzaam aan een kant, verkwistend aan de andere.
Uit de spreukrijkdom van mijn grootvader
– Een sulfertje in tien en een pintje in een teugje: spaarzaam aan een kant, verkwistend aan de andere.
– Gij zijt de kenner van de vis, uw moeder was een rogge: kennen van den huize uit.
– Ge moet u niet dikke maken, dun is de mode.
– Dat is zerken zagen: werk dat traag vooruitgaat. Ook nog: ’t Gaat vooruit lijk ’n hooibond tegen wind.
– Beter zat of zot, ’t en duurt zo lange niet.
– De schuifelaars hebben geen geld in hun zak.
– Open deuren waken wel: trekken geen dieven aan.
– ’t Gaat mallejongen regenen, de steerten hangen uit.
– Hij is gesmout met zijn eigen vet (valt in de put die hij voor een ander gegraven heeft).
– Grote ruiten – maar letter kluiten: grote blaai zonder geld.
– Ik zal met de schuimspaan op mijn rug niet lopen: op krijgen uit zijn.
– Als hij komt, ’t en is maar voor een kooltje vier. Als ge komt, ’t is altijd om een kooltje vier: als ge iets nodig hebt.
– Late gezaaid komt ook boven.
– Bij gebrek aan groen – moet je ’t met schavelinge doen.
– Nader hem niet te dicht of hij zou ’t gat van je broek doen blinken.
(Grootvader was van Klemskerke en bij de tachtig als hij gestorven is in 1941)
–
F.B. in Biekorf. Jaargang 68 (1967)


