Wit wasgoed wordt extra wit als men een linnen zakje met eierschalen met het wasgoed meekookt.
Er was eens een gezin met twaalf jongens en er kwam een dertiende bij. Dat kind groeide of bloeide echter niet. Zijn vader werkte bij een boer en hij pakte hem altijd mee in zijn onderlijfzakje.
Wie heeft zich ooit afgevraagd hoe onze voorouders zich schoon maakten van de resten en de sporen van hun ‘achterlijk’ werk?
t Is joamer zukk’ è schoon gat in de weke te dragen.
z’ Hanget ol aan heur gat. (ze koopt veel kleren)
Ze peist datt ‘er è karre goud an neur gat hangt.
E kukchat (wordt gezegd van iemand met een kleine gestalte)
E gatlek’r (een persoon die op een overdreven kruiperige manier vleit om een speciale gunst te bekomen)
E gatfoag’r (is iemand die zich niet bekommert om iets of iemand)
Peurn (afgieten gekookte aardappelen)
Piefr (onvruchtbaar mannelijk wezen)
Piepappoentje (lieveheersbeestje)
Piepauw (lieveheersbeestje)
Piepern (kussen)
* Jeuk aan het achterwerk betekent een goed boterjaar.
* In de drek stappen betekent geld.
* Laat de zoutlade niet vallen want dat brengt ongeluk.