De Gentse blijdschap om het vertrek van de gehate Spanjolen moet immens zijn. De geestelijken […]
‘Het Nederland was in 1567 vol verwarring, vol droefheid en ellende. Zelfs de katholieken zagen […]
31 maart 1794. In Westouter hoort men de hele avond schieten. De Franse verkenners dwingen […]
’t Is te fète honderd jaar geleên. Petrus Maes, mijn grootvader langs moederszijde, woonde op een klein doeningske, op een boogschote van Westvleterenkerke, in ’t midden van de broeken. Rondom in ’t water lijk op een eiland binst de winter en in de zomer in een zee van groenigheid, zoverre als jen ogen dragen.
Aan beide zijden van de Frans-Belgische grens ligt tussen Veurne en Duinkerke het poldergebied ‘De Moeren’.
De eigenlijke mulder is in de stiel geboren; het vak wordt overgeërfd van vader tot zoon.
Er was eens een gezin met twaalf jongens en er kwam een dertiende bij. Dat kind groeide of bloeide echter niet. Zijn vader werkte bij een boer en hij pakte hem altijd mee in zijn onderlijfzakje.
Toen, 40 à 50 jaar geleden (in de jaren 30-40), een blijde gebeurtenis zich aankondigde stak de toekomstige moeder al vroeg haar licht op bij een plaatselijke vroedvrouw. Het werd als een natuurlijke gebeurtenis beschouwd en normaal verwachtte men een natuurlijke afloop.
De volgende windmolens bestonden nog op het grondgebied van Moorslede in 1914:
Zekere avond ging een molenaar uit Veurne slapen. Op zijn molen stonden drie ongemalen zakken koren en er lag een pakje boterhammen bij die hij niet had opgegeten wegens buikpijn. Toen hij ’s anderendaags op de molen kwam, vond hij de drie zakken gemalen en het brood verdwenen.
Iedereen lag te beven in zijn bed de kinderen weenden, de mannen vreesden het ergste, de vrouwen dachten aan het einde van de wereld of op zijn minst aan een nieuwe aardbeving. In vele huizen bad men luidop paternoster op paternoster. Intussen waaide en stormde het voort en in de herfstmorgen kwam af en toe de maan akelig uit de vluchtende wolken te voorschijn en maakte het tafereel nog luguberder.
‘k Ga er nog entwad van krijgen. Er begonnen ten andere al rare dromen van te komen, of beter gezeid; altijd dezelfde droom, nachten en nachten achter malkaar altijd dezelfden. leder kere zat er- een kaboetertje mij te embeteren op een van mijn schoenen. ‘k Liet het eerst in zijn wezen, maar op een ende kon ik het tochniet meer eerden en sloeg ik er achter gelijk achter een zwerm vliegen. Maar ’t was rap gélijk een duveltje: sloeg ik net weg van mijn linkerschoere, als de weerlicht zat het op mijn rechterschoere, en alzo moeste ik altijd maar weg en were slaan totdat ik in schuim en zweet stond. ‘k Peinsde dat ik er zot ging van worden.
En waar men spreekt van: ‘nog dommer of Moncarey’s muil’ is dat niet dommer of niet slimmer dan eender welke muil van eender welke molenaar.
Met al die willekeur en die afpersmentaliteit is het niet moeilijk dat de moraliteit terugloopt in Ieper. De ‘God ziet u’ bordjes bestaan nog niet en de priesters hebben wel andere interesses dan de geestelijke integriteit van hun onderdanen. Er is amper sprake van nieuwe acquisities tijdens het bewind van abt Pierre. Het zijn blijkbaar moeilijke tijden voor het klooster. De Rubrum registers maken melding van een aankoop in januari 1247. Walter, de abt van Grimbergen, verkoopt aan de Ieperse proosdij alle eigendommen die zijn abdij bezit binnen de stadsmuren van Ieper. Het betreft opbrengsten van meer dan 9 pond afkomstig van verscheidene huizen in de stad en blijkbaar ook deels op de lakenhalle.
Daar was ’n keer een molenare, hij had noch grof noch fijn meer te malen, ’t Kwam zo verre dat hij jaren pacht ten achteren stond, hij ging algauw z’n molen mogen sluiten
en gaan om stuiten.