De Gentse blijdschap om het vertrek van de gehate Spanjolen moet immens zijn. De geestelijken komen af met een grote processie ter ere van God. Om hem te bedanken voor de overwinning op het kasteel en voor de pacificatie die er binnen hun stad is gesloten tussen al de provincies van de Nederlanden. Terwijl het kaarslicht wappert in de lucht en de heiligen van stal gehaald worden gehaald, kan niemand vermoeden dat deze zwaarbevochten vrede binnen de kortste tijd naar de vaantjes zal worden geholpen. En dan wel hier in dit eigenste Gent.
Priester van Male geeft wat extra uitleg rond de zogezegde ‘pacificatie van Gent’. De prins van Oranje is er in geslaagd de Zeeuwen, de Vlamingen en de Hollanders te vervreemden van hun wettige koning, Filips II van Spanje. De wreedheid van Alva en de moedwilligheid van de Spanjaarden hebben gezorgd voor een algemene verbittering in de gemoederen. Maar dat betekent niet dat de ijver voor het katholiek geloof met hen verdwenen is. Velen vrezen dat hun vertrouwde godsdienst onder het juk van Willem van Oranje nu wel eens helemaal onder de voet zal kunnen worden gelopen.
Van Oranje beseft dat hij de Nederlandse provincies enkel zal kunnen verenigen als hij oog heeft voor de verzuchtingen van het katholiek deel van zijn bevolking. ‘Hij liet zich lang bidden en smeken en stelde zich achteraf op als de grote beschermer van het vaderland met een voorstel om tot een verbond te komen tussen al de partijen. Deze bedrieglijke bevrediging werd door beiden gesloten op 8 november 1576.’ Vijfentwintig artikelen moeten ervoor zorgen dat de katholieke godsdienst en het inkomen van de geestelijken verzekerd blijft. Achteraf zullen katholieken ondervinden dat ze met de pacificatie van Gent om de tuin werden geleid en ronduit bedrogen waren door de beloftes van Willem van Oranje.
De katholieke priesters verliezen in elk geval hun exclusieve status. Dat is al duidelijk te zien bij de oproep in Gent om alle weerbare mannen tussen de achttien en de zestig te mobiliseren. Voor de priesters wordt geen uitzondering gemaakt. De Vlamingen krijgen te maken met een staatsregering waarbij er sprake is van de verwarring van de geestelijke en de wereldlijke zaken. De geestelijken steigeren natuurlijk omdat ze niet langer op het voetstuk van de macht kunnen blijven staan en dat is op zich alleen al voldoende om de verse vrede van Gent te ondermijnen. Eigenbelang is een trekje van alle tijden.
‘Ondertussen zag men de kleine kinderen samenrotten, zich in bendes verdelen en in slagorde tegen elkaar vechten, met stenen en niet zonder bloedstorting.’ De priesters zijn hun ijzeren grip op jeugd en opvoeding kwijt en zien deze verloedering met lede ogen aan. En dan de politiek nog. De verenigde staten van de Nederlanden treden in de onderhandeling met de opvolger van Requesens. Dat is de 29-jarige legeraanvoerder Jan of Juan van Oostenrijk. Een bastaardzoon van keizer Karel die opgevoed werd aan het hof van zijn halfbroer koning Filips II. Don Juan hoopt dat hij op termijn de nieuwe koning van Spanje en de Nederlanden zal komen.
Willem van Oranje en zijn ploeg willen indruk maken op de nieuwe gouverneur. Goede relaties passen bij een mooi welkomstgeschenk. ‘Daarom hebben ze in Vlaanderen en enkele andere provinciën de ingezetenen belast om al hun goud, zilver, huisraad en juwelen in te leveren bij de overheid. De rijkste landslieden waren getaxeerd om een zekere som van penningen te lenen.’
En zo worden de plooien weer glad gestreken met Spanje. Er komt een politiek akkoord, de zogezegde pacificatie van Gent, ook wel de ‘bevrediging van Gent’ genoemd. De Spaanse soldaten worden naar huis gestuurd, de lokale gouverneurs moeten wat inleveren aan macht in het voordeel van de verenigde staten zelf. Daarbij komen nog eens extra lasten om de soldij van de Spaanse en Italiaanse huursoldaten te kunnen betalen zodat die kunnen maken dat ze weg zijn.
De gespleten slogan van Willem van Oranje; ‘weg met de Spanjaarden, leve Spanje’ met daarbij de lawine aan nieuwe belastingen en het negeren van de katholieke machtssituatie in Vlaanderen zijn van die aard dat de nieuwe vrede gevuld zit met frustraties. Priester van Male vraagt zich af hoe lang deze zal standhouden. Aanvankelijk keert de rust terug in de kastelen van Gent, Valenciennes, Rijsel, Utrecht en Antwerpen. De ketters tanken nieuwe moed nu het spel niet meer zo hard wordt gespeeld. Toch is er sprake van nog twee extra onthoofdingen. In Mechelen heeft Pieter Panis prijs met zijn ketterij en in Gent wordt een burger een kopje kleiner gemaakt omdat hij een pastoor heeft uitgescholden en licht verwond heeft.
Bij onze noorderburen is de situatie helemaal anders. De Hollanders en de Zeeuwen houden zich niet aan hun belofte om de katholieke priesters met rust te laten. Waar ze kunnen, verdrijven ze de geestelijken en verwijderen ze alle sporen van enige katholieke religie. Eigenlijk doet iedereen wat hij of zij wil en het duurt niet lang voor de staten zich openlijk beginnen te verzetten tegen Don Juan. Terwijl al de steden weer versterkt worden en er nieuwe soldaten aangeworven worden, verzoeken de steden Willem van Oranje om zijn raad en stellen ze hem aan als ruwaard van Brabant. Vlaanderen krijgt de hertog van Aarschot als leider toegewezen want blijkbaar is de graaf De Roeulx een vertrouweling geworden van Don Juan.
De aanstelling van Willem van Oranje is niet naar de zin van het establishment, zeg maar de Nederlandse heren. Een jaar geleden was hij nog voortvluchtig omwille van zijn weerspannigheid en nu krijgt hij plots het hoogste gezag in de schoot geworpen. Na veel overleg komen ze zelf met een nieuwe leider op de proppen; de 20-jarige aartshertog Matthias, een kleinzoon van keizer Karel en vooral de broer van de Duitse keizer Rudolf II. Matthias aanvaardt het leiderschap, tegen wil en dank, maar laat voor de rest het bestuur over aan Willem van Oranje. Die laatste zorgt er ook voor dat de hertog van Aarschot binnen de kortste tijd van het politiek toneel zal verdwijnen.
Hoe dat gebeurt, leer ik meteen. In Gent komt het volk op straat tegen nieuwe taksen. De Gentenaars eisen hun vroegere privileges terug. Een groep van achttien edelen onder leiding van een zekere Ohein nemen de hertog van Aarschot en enkele van zijn medestanders gevangen. Onder hen bevinden zich de bisschoppen van Brugge en van Ieper. ‘De burgers bleven enige dagen in de wapenen en het kanon werd schietvaardig gehouden onder de wallen.’ De Gentenaars blijken zich erg kwaad te maken over de nieuwe overeenkomst met de Spanjaarden en de deal met Don Juan als nieuwe gouverneur. Willem van Oranje is hier kop van jut. En waarom hebben de noordelijke staten zomaar zonder hun medeweten en zonder toestemming dat gefoefel met aartshertog Matthias gearrangeerd?
De hertog van Aarschot komt na enkele dagen weer op vrije voeten. De vrees voor represailles van de grootste heren van het land is daartoe voldoende. De rest van het gezelschap, inclusief de bisschoppen blijft in hun kerkers. Het lijkt er op dat de politieke teerlingen nog voor het einde van 1576 op hun juiste plaatsen vallen: ‘op de 17de december, nadat Don Juan tot vijand van het land was uitgeroepen en er een nauwer verbond was gesloten tussen de katholieken en de nieuwgezinden, werd de aartshertog Matthias te Antwerpen aangenomen als gouverneur-generaal van de Nederlanden, nadat hij had gezworen de eenendertig artikelen na te leven zoals de staten hem die voorgeschreven hadden.’
Willem van Oranje grijpt dus inderdaad de macht. ‘Vermits Matthias nauwelijks het twintigste jaar van zijn ouderdom bereikte, werd hem als leermeester gegeven de prins van Oranje, dewelke op die manier al het gezag naar zich toetrok en de blote naam aan zijn leerjongen liet.’ Terwijl ik wat moet glimlachen met die vergelijking van Matthias met een leerjongen, gaat het relaas gewoon verder en moet ik me haasten om de gebeurtenissen bij te benen. De blijde intreden van Willem van Oranje staat op het programma te Gent. De journalisten van die dagen tanken snel wat inkt bij voor hun schrijfpluimen.
‘Op de 29ste van dezelfde maand kwam de vermelde prins, samen met zijn broer graaf Johannes van Nassau te Gent. Ze werden begeleid door 180 mannen, zowel burgers als soldaten van Antwerpen. Hij werd binnengehaald door de busschieters en de burgers die witte flambeeuwen in de handen droegen. Langs het parcours stonden veel pektonnen en drie schone zegebogen op de welke enkele erebeelden tussen het licht van menige toortsen gezien werden. De magistraat verwelkomde Willem van Oranje en een maagdeke bood namens de gemeente van Gent een gouden hart aan waar het woord “sinceritas” in te zien was.’ En dan volgen natuurlijk de obligate lofdichten, vertoningen en rederijksspelen waarmee al die smerige Spaanse histories voor even werden vergeten.
Terwijl hij hier nu toch is, beslist Willem van Oranje om de stad te voorzien van enkele extra grachten en bolwerken en in de omgeving van Gent al het mogelijke te vernietigen wat eventueel zou kunnen dienen voor de vijand. De stadsmagistraten die zich de voorbije tijd tegen hem gekeerd hadden, krijgen nu natuurlijk de rekening gepresenteerd en worden in de gevangenis gedropt. ‘Alles kreeg zo een ander wezen en de prins die alles volgens zijn wil wilde krijgen, benoemde een reeks van nieuwe schepenen en raadsleden. Hierbij werd ook een krijgsraad van achttien man opgericht met als opperhoofd de jonkheer van Ryhove.’
Er wordt hier in Gent wel degelijk rekening gehouden met de komst van Don Juan en daarom ‘werden al de bomen, huizen, schuren en molens die zich binnen een afstand van zevenhonderd meter van de wallen bevonden ter aarde geworpen. Hieronder bevonden zich ook de kloosters van de Kartuizers en de Clarissen en ook de parochiekerk van Sint-Amands moest er aan geloven. Ze deden ook de klokken, metalen kandelaars en allerhande koperen en ijzeren voorraad uit de kerken weghalen en naar de dichtbijgelegen parochies van Gent voeren, waar het metaal gegoten werd in nieuwe stukken geschut. En men gelastte de dekens en de beëdigden van de vijfentwintig ambachten om elk op eigen kosten een stuk geschut te doen gieten.’
Willem van Oranje is doortastend met zijn maatregelen. ‘Men deed uitroepen dat iedereen, vrij en onvrij, geestelijk als wereldlijk klaar moest staan om de verwachte soldaten uit Engeland en Schotland in hun huizen te herbergen en behalve bed en hulster hen drie kaarsen per week aan dat onaangenaam gezelschap te verlenen.’ Elke handel met Don Juan en zijn volk wordt ten strengste verboden.
De Gentse krijgsraad laat op eigen initiatief nog wat extra vendels voet- en paardenvolk afkomen en engageert nog enkele aanvullende heren in zijn bestuur, vooral de naam van kolonel Van Assche valt hierbij op. Gent distantieert zich hier dus al direct van de Staten-Generaal. Die wil beletten dat de diefstal van kerkschatten uit de kapellen en de kerken uit de buitenomgeving van de stad moet voorkomen worden en voorziet daartoe dat al het goud en zilver naar Gent moet worden getransporteerd. Juwelen, gouden en zilveren bekers en alles met ook maar enige waarde.
De lokale krijgsraad gaat nog een stuk verder: ook de kerken en de kloosters binnen de stadsmuren moeten hun tuig inleveren. Ik kan me indenken dat de geestelijken ‘not amused’ zijn. Het gouden beeld van de heilige Dominicus wordt snel verborgen en voor de rest blijven de missen en de processies zo goed als kwaad mogelijk hun gewone gang gaan.
De nieuwgezinden van Gent proberen grip te krijgen op de andere regio’s van Vlaanderen. In Brugge en omgeving bakt hun haring niet. ‘De mensen zijn er nog niet bedorven.’ Het merendeel van de stadsbesturen is nog altijd katholiek gezind en er zijn maar weinig magistraten die men kan verwijten om over enige sympathie voor de ketters te beschikken. Voor wat betreft de Spanjaarden lopen de meningen wel parallel: ‘men was zeer gebeten omwille van hun overlast en moedwilligheid en om de wreedheden die ze nog onlangs getoond hadden in Aalst, Maastricht, Oudenaarde, Mechelen en Antwerpen. Zowel de katholieken als de nieuwgezinden verlangden om van deze gevaarlijke gezellen ontslagen te worden.’
Het is blijkbaar, drijvend op dat haatsentiment dat de prins van Oranje zijn impact op Vlaanderen kan in stand houden. ‘Hij wist zich wel te bedienen van deze algemene haat en pookt het vuur van de vijandschap op zodat het niet meer kon geblust worden zonder een overvloed aan bloed en tranen.’ De Bruggelingen waren tevreden geweest met de pacificatie van Gent, maar nu zien ze de onverwachte gevolgen ervan. De buitensporigheden van die van Gent werpen een tragische schandvlek op het vredesverbond.
Her en der in de stad worden schimpschriften opgehangen; vol met verwijten aan die van Gent die ze omschrijven als muitmakers, stropdragers, valse raadslieden en verraders die allemaal de gele sluier van Willem van Oranje dragen. Een man die te gepasten tijde wel plaats zou ruimen naar Holland en Zeeland en zijn afgoderij met hem weer zou meenemen. Maar ondertussen blijven de opstandelingen bisschoppen en kerkelijke heren gevangen houden en beroven ze kerken en kluizen.
De schrijver van het boek dat voor me ligt, wordt alsmaar kwader. In zijn nieuw hoofdstuk geeft hij al aan dat de nieuwgezinden zich meester zullen maken van Brugge en er de katholieken in de verdrukking zullen brengen. Man, wat is priester van Male toch woedend op de Gentenaars. Hij beklaagt zich omstandig om hun onbedachte lichtzinnigheid waarmee ze het geloof van hun voorouders in de vuilnisbak gooien. Hij verfoeit ze omdat ze nu al die vuile ketterij omhelzen en zich als dwazen inlaten met al die heerszuchtige vreemdelingen. Hij doelt daarmee natuurlijk op Willem van Oranje. Van Male kan zijn bloed wel drinken.
Rond het jaar 1400 heeft de abt van het klooster van Eeckhoutte al eens brandhout gemaakt van die Gentenaars. De schrijver heeft het over Lubertus Hautschilt die blijkbaar 160 jaar geleden al beschikte over profetische gaven. Het bederf van Vlaanderen zou beginnen in het grote en machtige Gent, de hoofdstad van dit bloeiende land. Van Male fulmineert. ‘Het is nog waar ook. U Gentenaars, hebt uw eigen welvaren verstoten, u hebt uw kinderen verstoten en hen de borsten gegeven van allerhande woeste en wilde natiën. U hebt door een helse geest die gedreven is door muiterij de ware godsdienst kapot gemaakt. Al die kerken, kloosters, beelden, altaren, alles wat u voorheen zo lief en waardig was hebt gij onder de voet gelopen en vertrappeld.’
Van Male briest verder. Zijn speeksel spat onbetamelijk op mijn papier. ‘U hebt de waarheid verworpen om valse dolingen aan te hangen. U hebt uw wettige heer verworpen om dieven en rovers te volgen en u verliest daarmee op enkele jaren tijd al hetgeen u tijdens de voorgaande eeuwen hebt gewonnen. U hebt uw buren ertoe gebracht om met list en geweld uw rampzalig voorbeeld te volgen waardoor zij, net zoals u niets anders hebt gewonnen dan een onherstelbaar verlies van uw luister en heerlijkheid, kracht, macht, edeldom, rijkdom en schitterende koophandel.’
Gelukkig komt mijn schrijver enigszins te bedaren. Hij neemt de draad van de geschiedenis weer op. De katholieke ingezetenen van Brugge nemen maatregelen met al dat onbetamelijk nieuws dat aanspoelt vanuit buurstad Gent. Ook het kasteel van Sluis is nu in Gentse handen gevallen. Aartshertog Matthias heeft er jonkheer Jacobus De Grouf aangesteld als gouverneur. De Bruggelingen nemen het zekere voor het onzekere en trommelen vier vendels Waalse soldaten op die zich momenteel ophouden in Roeselare. Die oproep is blijkbaar niet echt naar de zin van de prins van Oranje en zijn gerevolteerde staten. Op 19 maart 1578 rukt de Gentse kolonel Van Assche samen met zijn broer, de heer van Ryhove met honderd ruiters en duizend voetknechten op naar Brugge. Samen met de nodige busschutters en lansiers.
In de vroege ochtend staan ze aan de Brugse Kruispoort waar één en ander al voordien bedisseld werd. ‘Tussen vier en vijf uur ’s morgens kwamen ze voor de Kruispoort die geopend werd door hoofdman Gillis Mostaert, die met de stadskapiteinen Jan Vleys en Jacobus Casembrood en hun volk de wacht hadden over deze poort. Maar ze waren heimelijk overeengekomen met de Gentenaars. Samen met nog andere prinsgezinden hebben ze stad ter beschikking gesteld van verderf en verlies.’
‘Zo raakten de vermelde heren met het merendeel van hun volk binnen in de stad en nu trokken ze op naar de Burg. Natuurlijk tot groot verlies van de katholieken die dit niet hadden verwacht en nu met de wetenschap leefden dat ze van binnenuit verraden waren. Op wie moesten ze nu nog vertrouwen? De heer van Ryhove is met enkele wel bewapende mannen het stadhuis binnengegaan waar de magistraat in allerijl opgeroepen was voor een crisisvergadering. Ryhove nam in de schepenkamer plaats naast de burgemeester en hij heeft hem verteld dat de aartshertog hem belast had om zich te verzekeren van de stad Brugge.’
Dat laatste is een pertinente leugen. Hij is hier enkel op vraag van enkele notoire ingezetenen van de stad zelf. Ryhove wil de rust doen verzekeren in de stad. Vooral nu de Spanjaarden overal op apegapen liggen. En de werking van het schepencollege zou beter identiek zijn als die van Gent. Terwijl hij hier nu toch is. Veel in de pap te brokken krijgen burgemeester en schepenen niet want ‘er was niet een die daar iets tegen durfde zeggen, want zijn trawanten hielden hun musketten in aanslag om te schieten.’ Net zoals in Gent wordt een krijgsraad van achttien man aangesteld. Ze moeten de stad bewaren en krijgen samen meer gezag dan de vroegere burgemeester ooit heeft gehad.
Het krijgsvolk. Reken en tel maar, dat zijn meer dan duizend soldaten, wordt nu te slapen gelegd in de huizen van de goede katholieken. Vooral de kloosters moeten hen herbergen en de manschappen voorzien van spijs en drank. Als dank krijgen ze alleen smadelijke en schimpende woorden. De Augustijner monniken krijgen tweeëndertig van die gasten, die na zich goed volgepropt te hebben plaats ruimen voor zestien anderen. Op vier dagen tijd draait het klooster zo zestig gulden door de molen. Gelukkig vertrekken de meeste soldaten rond de 25ste maart en blijven alleen de krijgsoversten over.
Ook het schepencollege wordt vernieuwd. Joris van Brakele wordt nu de nieuwe burgemeester en leider over zijn schepenen terwijl Joos De Cabootere de functie van ‘burgemeester van de commune’ toegemeten krijgt. Die willen natuurlijk goede vrienden blijven met die van Gent en van Oranje. Uit wiens hand men eet; je weet wel. ‘Ze zochten in alles om de geestelijken en de goede katholieken te pesten met nieuwe wetten en verordeningen. Ze werden beroofd van hun privileges en mochten voor drie jaar hun gebruikelijke vrijstelling van accijnzen op hun buik schrijven.’
De schrijver nuanceert de toestand in Brugge enigszins. Er zijn veel bestuurders die de katholieken gewoon met rust laten. Ze laten zich alleen maar gewillig meeslepen met de algemene gang van zaken. ‘Even gelijk als te Brugge, was het te Gent en in de andere steden gesteld. De katholieken werden verdrukt en de schepsels van de prins, allemaal bezeten door de geest van de ketterij en weerspannigheid, wierpen alles ondersteboven, tot verderf van veel eerlijke families, zich verrijkende op de ellende van het vaderland dat jammerlijk verwoest werd door de Engelsen, Duitsers, Schotten, Walen, Spanjaarden en Italianen. Samengevat door vrienden én door vijanden.’
Kort daarna beveelt de krijgsraad om alle huizen en kloosters in de onmiddellijke buitenomgeving van de stadsmuren te slopen. Ze zouden mogelijk kunnen dienen als schuiloorden voor kwaadwilligen. De kerken van Sint-Baafs, Sint-Kruis en Sinte-Catharine moeten er aan geloven. De katholieken moeten verbijsterd zijn. Het lijkt er wel op dat ik hun pijn voel. Er gaat nog veel meer tegen de vlakte. De kloosters van de Kartuizers, de Predikheerinnen en de reguliere kanunniken samen met de kapel van St.-Ewoud. Gesloopt en gepluimd worden ze. De materialen worden verkocht voor eigen profijt, de religieuzen krijgen wel een woonplaats toegewezen binnen de stadsvesten.
De meest gegoede Bruggelingen worden beleefd verzocht om leningen te verstrekken aan het stadsbestuur met daarbij nog een wekelijkse bijdrage zodat de arbeiders die werken aan de versterkingen kunnen betaald worden. Na één week vertrekt van Ryhove terug naar Gent. Hij is naar verluidt al de hele week onpasselijk. Zijn soldaten worden vervangen door vreemd krijgsvolk waardoor de krijgsraad nog meer meester wordt van de situatie en zich ‘meer en meer verstoutte zijn verborgen haat tegen de geestelijken te tonen.’
Ik krijg voor de eerste keer iets te horen over Oostende. De havenstad is altijd een open plaats geweest. Het wordt nu blijkbaar erg nodig om deze bekwame haven te versterken. Volgens van Male zal Oostende zich daarna voor veel jaren ontpoppen tot een scherpe doorn in de voet van de leeuw van Vlaanderen. In Brugge moeten ze nog diezelfde maand met een eed afstand nemen van Don Juan. Dat de Spanjaarden in één pot nat gegooid worden met de katholieken zorgt voor een verdere repressie in de gemeenten. Overal worden de klokken weggehaald uit de kerk- en kloostertorens. De geestelijken moeten hun baarden afscheren en zich als gewone burgers kleden.
Dit is een fragment uit Boek 7 van De Kronieken van de Westhoek


