Mededogen met ongelovigen bestaat niet: ‘de afvallige die aan zijn geloof verzaakt en zijn klooster- […]
Boudewijn V is dertien jaar in het jaar 1027. Volgens zijn vader hoog tijd om […]
In januari 1682 woedt er een hevige storm in onze gewesten. Een beetje gelijkaardig aan […]
30 mei 1036. Boudewijn met zijn schone baard overlijdt na een regering van 48 jaar. Zijn zoon volgt hem nu definitief op. Boudewijn V, bijgenaamd ‘van Rijsel’ of ‘de Goedertieren’ is dan 22 jaar en al lang niet meer die betweterige adolescent van enkele jaren geleden.
Donaaske’s vader en moeder waren Romeinen. Als piepjong manneke werd hij door een knecht in het water gesmeten. Zijn ouders waren radeloos. Ze baden seffens met hart en ziel om raad. Ze wierpen een wiel met vijf brandende kaarsen op het water.
8 augustus 1380. Opperbaljuw Goossen De Wilde wil de Brugse wevers straffen die op 30 mei de zijde hadden gekozen van de Gentenaars. Ze zijn volgens hem medeverantwoordelijk voor het aangerichte bloedbad aan de Vrijdagmarkt en verdienen een sanctie omwille van hun weerspannigheid.
Er volgt nog meer onheil voor Poperinge. Tijdens de nacht van 31 juli en 1 […]
Dit gebeurde gedurende de Spaanse erfenisoorlog. In 1700 immers stierf Karel II van Spanje zonder […]
Den 21 mei 1901, het convooi dat van Yper naar Kortryk vertrekt ten 9.30 u. ontriggelde gedeeltelijk aan de hofstede bewoond door Wed. Bostyn, wanneer vyf koebeesten, men weet niet hoe, waren gebroken uit de weide die langs den ijzerweg ligt, die daar juist een kromte maakt.
Wat een moment om ruzie te maken? De jaarboeken van Veurne zijn ongetwijfeld geschreven door […]
Op den 12 sporkele 1587, (NB: februari = sprokkelmaand) vrijdag zijnde, zoo zijnder gevonden drie doode lichamen van landslieden, alwaer den eenen hiet Jan Hutte, landman en pachter in Zillebeke, en d’ander twee waren van Houthem, en waren wel xiiij dagen geleden vermoort geweest van Oostendenaers, om dies wille dat zy gevangen zijnde geen rentsoen ofte luttel wilden geven; zijn gevonden geweest ontrent Zillebeke-Meulene, door de groote menigte van vogelen die in ’t zelve braemstuk uyt en in vlogen, zoo dat sommige landtslieden die daer passeerden zeiden : « Laet ons gaen sien wat caronerie dat daer licht. »