1736: twee stormen op rij Het begin van 1736 verloopt al niet beter dan vorig […]
Een boer, die aan de oever van een rivier woonde, had grote bezittingen. Men zag er paarden, koeien, schapen en vele geiten, ganzen, allerlei varkens, hanen, kuikens en meer van dergelijke beesten. En hij had de leiding over knechten en meiden, want er was daar in huis veel te doen.
+ De zottigheid is ’t land meêstre.
+ ’t Is beter in de gazette te stoan of in de regen.
+ Dronk’e zeid is nuchtr’e peisd.
Omstreeks 1750 had Langemark, benevens zijn parochiekerk, een viertal kapellen. De voornaamste was de O.-L.-Vrouwkapel ten Poele, die eigen tienden en een eigen kapelaanshuis en kosterij bezat. De kapelaan was gewoonlijk een monnik van de abdij van Voormezele.
‘E zit mi ze kop in ze schoôt’.
‘E zit in de patatten’.
‘E leeft tegen ze goeste’.
Op het grondgebied van wat vroeger de bloeiende gemeente Wijtschate was, te midden een echte wildernis, woonde zekere Vandenabeele Cyrille, geboren te Geluwe op 7 februari 1865.
Sedert enige tijd bevindt zich hier op de parochie een kerel die een gevaarlijk spelletje speelt. Die man is gekend onder de naam van ‘de witte haan’ en schept behagen in alles af te luisteren en over te dragen.
Zeere te wapen’, roept de graaf, maar die van het Vrije kunnen wel eens traag van reactie zijn, schrijft Olivier van Dixmude. Lodewijk zit al goed en wel en zwaar bewapend op zijn hengst en trekt met die van Brugge te velde. ‘Zy quamen buuter de stede van Dixmude ende batelgierden an beeden zyden van de straete, ende scoten bussen in de rechte straete daer die van Ghent quamen.’ De opstandelingen zijn verrast door de plotse uitval van de graaf en roepen ‘velt, velt’, maar tijd om te vluchten in de velden is er niet meer. Ze worden compleet overrompeld. Wat nu volgt is een bloedbad.
Een ketsekar is een kar waarmee een voerman, als beroep, zakken graan ophaalt bij de boeren, die vracht naar de molen rijdt om die later als zakken meel terug te bezorgen aan de boer. Iedere boer bakte zelf zijn brood. Iedere zaak meel noemde men een bakte. De voerman noemde men ketser, zoals met heden de ophaler van eieren te lande ‘eierkutser’ noemt.
Manten Mol, de mollevanger
Wervik en Warwick zijn zowat Siamese tweelingen voor wat hun naam betreft: een nederzetting van mannelijke krijgers. Er rest mij nu nog het tussenvoegsel ‘via’ dat hier parmantig paradeert tussen de wijk van de mannelijke krijgers. Wie kent er niet de ‘Via Roma’ waar de wielrenners op vandaag voorbij racen tijden de klassieker Milaan-San Remo? Ik vind een perfecte Engelstalige beschrijving van het woord: ‘a road or paved part in a village or town’. Het geplaveide deel van de Wervikse nederzetting zorgt er voor dat de Romeinen haar de naam van Viroviacum toekennen. Via is van oorsprong trouwens ook Indo-Europees. Weg-ya.