Rond de jaren 1590-1600 waren de landlieden van Brugge en omstreken deerlijk geplaagd – of plaagden ze zichzelf – met ’toverij’ die ze, aan alle kanten, in huis en stal meenden te ontdekken.
Iedereen in de streek, vooral buiten Stavele, de gemeente waar het voorviel, weet te vertellen over de geheimzinnige gebeurtenissen die meer dan honderd jaar geleden zijn voorgevallen op Coene’s hof.