Een rechtermollepoot in de zak dragen brengt geluk aan.
Een klaverblad van vieren bij zich dragen breng ook geluk aan.
+ E’twieën ze toenge pelen (uithoren).
+ Z’et è karpeltoenge (ze heeft een spraakgebrek)
+ ’t Vier in je roeper hèn (dorst hebben)
Zijn noagelbak is stief èdind (hij heeft niet veel geen tanden meer)
Hoe oud ziejje? E joar oeder of min taans!