Er vliegt een ekster uit z’n gat.
Gods ezel, Maria’s peerd – Rijd er op tot je gat smeert.
In je laatste hemde zitten er geen zakken.
Als ’t kermis is staan er kramen,
en in den hemel moet je niet kramen
en in d’helle wordt je gestekt door de bramen.
Op een drietal steenworpen van onze peurplekke stond er een oude herberge, de Gapaard. Iedere keer dat we kwamen visen ging hij in zeven haasten een pot pakken. Potten pakken kost geld. En bij hem thuis waren ze hondegierig. Ze hadden voor zonelief wel een vislijne gekocht, omdat ze van mijn thuis wisten dat we met vele en lekkere vis naar huis kwamen, maar zijn ‘permis’ om te vissen moest Thomas van zijn drinkgeld betalen.