’t Woajd lik de vroede bjeestn: het waait heel erg.
Een stout ransel: vrouw die niet op haar mond gevallen is.
Jeed een twien bien buk gedoan: hij heeft iemand beetgenomen.
Giv moa sjette,pulle,goaze: begin er maar snel aan.
Zijn verstand zit in een schuimspaan, ’t beste loopt er deure.
Hertefretters worden niet geboren maar gemaakt.
è Vrouwe zwijgt de dingen die ze niet weet.
Een mannelijk schepsel doet toch veel voor een dochter van Eva. We kennen een dichter die zegt, dat, zo er geen vrouwen waren, hij zich zou gaan verdrinken. Dat is ‘nen viezen kerel, nietwaar?
Je moet je vijanden beminnen, maar je moet er geen koeken voor bakken
Tijdens de middeleeuwen, wanneer men in de stad de vervelende gewoonte had om de inhoud van de ‘geurende’ pispot over de hele breedte van de straat uit te keilen, was het af en toe een hachelijke onderneming om zich op de openbare weg te begeven.
bougvuldre: zijn buikje rond eten.
bedorven’n stront: een verwend iemand.
boejemers: bohemen, zigeuners.
blieken schijtre: persoon met bleke huidskleur.