Een mannelijk schepsel doet toch veel voor een dochter van Eva. We kennen een dichter die zegt, dat, zo er geen vrouwen waren, hij zich zou gaan verdrinken. Dat is ‘nen viezen kerel, nietwaar?
Een liefdehistorie
Een mannelijk schepsel doet toch veel voor een dochter van Eva. We kennen een dichter die zegt, dat, zo er geen vrouwen waren, hij zich zou gaan verdrinken. Dat is ‘nen viezen kerel, nietwaar?
Nu, maandag zijn we in Diksmuide getuige geweest van een liefdeskomedie, die het spreekwoord ’twee honden aan een been komen zelden overeen’, opnieuw bewaarheidt. Louisa V…., een lief bevallig 17-jarig meisje, met boze ogen, ja ogen als de schichten van Cupido in de kop, had zich met een vrijer, Eduard V…….., naar de paster begeven om ondertrouw te doen en had haar oude beminde, Emiel L………, die in Duinkerke was, laten zitten zonder kikken of mikken.
Ja, maar de afgescheepte minnaar kreeg licht van de poets en nam onmiddellijk zijn hielen in de handen en ging ‘en route’ naar Diksmuide.
Oh! Van zodra Louisa haar beminde Emiel terugzag, het spel veranderde en Eduard kreeg zijn congé! De eerste liefde is altijd de beste, ziet ge! Maar ’t was daarmee niet gedaan. Eduard was het hart in door die blauwe scheen en zwoer om zich te wreken en zijn beminde terug te stelen. Maandag toen hij aan zijn bezigheden bezig was in de Weststraat zag hij opeens het verliefd koppeltje en rap als de weerlicht was hij er bij.
De jaloerse tijgers geraakten handgemeen. Emiel delfde het onderspit en Eduard meende het meisje reeds in zijn bezit te hebben, maar ze vluchtte naar huis en Eduard volgde haar op de hielen, verheugd over zijn zegepraal in de tegenwoordigheid van honderden nieuwsgierigen.
Maar de arme jongeling was alweer teleurgesteld, want een uur later wandelde Louisa met haren Emiel, die getroost scheen door zijn getrouwe minnares, die zwoer liever dood te zijn dan haren Emiel nog te verlaten.
’s Avonds is het duifje met haar eerste vrijer naar Frankrijk gevlogen en heeft Eduard laten zitten koekeloeren! Oh! Die vrouwen, die vrouwen, ze zouden ‘nen redelijke mens het hoofd doen verliezen.
–
Uit ‘De Toekomst’ van 8 april 1866 – www.historischekranten.be


