27 november 1382. Een donderdag. Filips van Artevelde is al heel vroeg opgestaan en laat […]
Leert niet ossan te vinden wat da’j geiren ziet, moar geiren te zien wat da’j […]
Ik heb daar eens over geprakkezeerd en mij dunkt het dat een mens voor niets meer redenen vindt dan om te drinken. Waarvoor drinkt men zoal?
Dat het niet al suiker en zeem is in het huwelijk, dat wist Narden van Sussens warempel goed. Narden had thuis nooit erg veel te zeggen gehad en meestal gestaan waar dat de borstel staat.
’t Wos ol è gheilen tied e leèn dak k’ik nog è wandelienge è doan he’n in de buitencoté van Ieper, en woarlik ‘k he’n verschoten os k’ik dat oltemole zag, nieuwe huyzen en schonne wit, den einen nog schonder of den anderen.
Boertje Pé, die op een klein gedoenselke woonde, kwam zijn vrouw te verliezen. Ze was nog niet koud, toen meneer de pastoor reeds ten huize kwam.
Jan van Dadizele was begerig van die twee weldaden aan zijn eigen heerlijkheid te bezorgen en hij kreeg van zijn opperheer Filips de Goede een brief van inrichting van jaar- en weekmarkten. Die brief werd gegeven te Brussel in de junimaand van 1462. Hij was geschreven in het Frans en is in onze Franse druk voortgebracht.
Een mannelijk schepsel doet toch veel voor een dochter van Eva. We kennen een dichter die zegt, dat, zo er geen vrouwen waren, hij zich zou gaan verdrinken. Dat is ‘nen viezen kerel, nietwaar?
‘E zit mi ze kop in ze schoôt’.
‘E zit in de patatten’.
‘E leeft tegen ze goeste’.