Sinds aloude tijden is de weefnijverheid de voornaamste bron van welvaart voor de bevolking van de Roeselaarse binnenstad geweest. In de hoge middeleeuwen was de lakennijverheid in het schependom de spil waarrond zich de economische bedrijvigheid van gilden (koopliedenverenigingen) en ambachten (handwerkersverenigingen) bewoog.
Waar de Ieperse magistraat bericht dat er in 1247 wel 200.000 inwoners te Ieper gevestigd waren, en in 1485, in een verslag over de materiële toestand aan de Grote Raad van Mechelen, beweert dat er omstreeks 1408 nog 3 à 4.000 weefgetouwen in werking waren, dienen we beide gegevens als fantastisch en volkomen onjuist te verwerpen.