Sinds aloude tijden is de weefnijverheid de voornaamste bron van welvaart voor de bevolking van de Roeselaarse binnenstad geweest. In de hoge middeleeuwen was de lakennijverheid in het schependom de spil waarrond zich de economische bedrijvigheid van gilden (koopliedenverenigingen) en ambachten (handwerkersverenigingen) bewoog.
Sinds aloude tijden is de weefnijverheid de voornaamste bron van welvaart voor de bevolking van de Roeselaarse binnenstad geweest. In de hoge middeleeuwen was de lakennijverheid in het schependom de spil waarrond zich de economische bedrijvigheid van gilden (koopliedenverenigingen) en ambachten (handwerkersverenigingen) bewoog.
Van de 20 erkende ambachten, binnen het schependom uitgeoefend, waren er, in het begin der 16de eeuw, zes die rechtstreeks met de lakennijverheid in betrekking stonden: ‘weven, vullen, drappiren, droochscheeren, parmentieren, varuwen’, en in het keurenboek van 1564 waren zeven keuren aan de weefnijverheid gewijd!
De Roeselaarse lakennijverheid, die de stadsmagistraat met haar uiterste zorg en de strengste verordeningen omringde, had in de middeleeuwen een zulkdanige vermaardheid verworven, dat Lodewijk van Male op 18 januari 1356 de lakenwevers van Roeselare vrijstelde van het verbod, dat hij zelf enkele dagen te voor had uitgevaardigd, waarbij niemand, binnen drie mijlen rond Ieper, laken mocht weven dat meer dan 38 ellen lang en 9 vierendelen breed was, zoals men in Ieper placht te doen: ‘Weten alle lieden dat onsse meeninghe niet es dat in de vorseyde dinghen begrepen zy de poort van Roesselare noch derin ghehouden’.
‘Prenters up tghetauwe’ moesten driemaal per week de lakens, tijdens hun vervaardiging, aan huis gaan onderzoeken. Van de wever ging het afgewerkte stuk naar de volder, door wie het werd gekookt, gewassen, geperst en in de volmolen gebracht om de van elkaar verwijderde draden nauwer toe te halen.
De nieuwgevolde lakens werden vervolgens te bleken en te drogen gehangen op de rekken of ramen van de openlucht-blekerijen, die voor een groter of kleiner deel eigendom waren van de stad, dewelke de inkomsten van de daar geplaatste ramen verpachtte.
Daarna werden de lakens vóór de’waranderers ter vullerspersse’ op de halle gebracht, die erover beslisten of het stuk al dan niet verder mocht worden bereid; indien het geverfd mocht worden, hechtten zij er een’varewe loot’ aan. Vervolgens kwam het in de handen van de ‘cueriers ter raeuwer pertsse ende meters ter natter elle’, die dagelijks op de halle de lakens kwamen meten.
Tenslotte ging het naar de ‘hooghe persse’ op de halle, waar zeven vakmannen, ‘zeghelaers ofte loyers’ het weefsel goedkeurden en er een loodje aanhechtten (‘loyen’), of het afkeurden, er de aan te brengen wijzigingen op merkten of er de hoek uitsneden en de lijst afscheurden: ‘zullen die den houc vutsnyden ende de Lyste afschueren naer de faulte die zy beuinden Jnt zelue Laeckene’.
Op de zolder van de halle werd in 1519 een lakenpers geplaatst, ‘dienende aldaer omme de lakenen ter perse te loeyene’, en in 1617 werd een ‘laeckentaefele’ vernieuwd.
Eerst na geweven. te zijn, mochten de stukken naar de verwerijen worden gebracht. Naar gelang de kleuren, waarin zij moesten geverfd worden, werden de lakens door de ‘zeghelaers’ met een ‘pinseel’ gemerkt, waárin een B ‘ghegraueert’ stond voor het verwen in het blauw, een M (mede) voor het geel-rood, de letters MO ‘(moreyt) voor het zwart en RO voor het rood.
Onder de Roeselaarse verwerijen was vooral deze ‘ande brugghe vande vaerwerije’ in de Kromme Winkelstraat bekend, en wijl de afgewerkte lakens daar in het blauw werden geverfd, werd de oude straatnaam er in ‘Blauwverwersstraatje’ of eenvoudig ‘Verwerijstraatje’ veranderd, en de brug werd de ‘Verwersbrug’ geheten: eénmaal wordt de straat ook ‘Weversstraat’ genoemd, en de brug over de Mandel de ‘Weversbrug’.
Blijkens de ‘Stede Pachten’ waren er te Roeselare in het begin der 16de eeuw 36 lakenfabrikanten gevestigd, die meest alle onder de vooraanstaande ingezetenen van de stad konden worden gerekend; immers verscheidene onder hen waren er baljuw geweest, burgemeester, schepen of raadsheer, en 15 onder hen waren lid van de Rederijkerskamer ‘Zeegbare Herten’.
Vanaf de tweede helft der 16de eeuw begon de lakennijverheid te vervallen, hoofdzakelijk wegens de grotere voorrechten waardoor Engeland de buitenlandse wevers aantrok, en wegens de uittocht der Vlaamse wevers naar Nederland gedurende de godsdiensttwisten en de inquisitie-vervolgingen van Alva.
In het begin der 17de eeuw had de lakennijverheid te Roeselare opgehouden te bestaan, en de stadsrekeningen uit de jaren 1608 en volgende konden slechts vermelden dat de lakenaccijns, die vroeger door de drapiers aan de stad werd betaald, dan afgeschaft was, ‘mits datmen alsnu binnen deser Stede niet en drapiert’.
Het laken werd geleidelijk door de vlas- of linnenweverij vervangen, een huisnijverheid die reeds in de oudheid beoefend werd, toen haast ieder ‘werkmanshuis en iedere landelijke woning haar weefkamer bezat met handweefgetouw of weefstoel, haar spinrokken en later spinnewiel, waar het vlas tot linnen werd geweven en gesponnen.
Het voorafgaandelijk roten van het vlas geschiedde op de buitenstad in sommige waterlopen en in de rootputten of’ratelaars’ waar het vlas gedurende enige tijd in het water gedompeld werd. In de binnenstad was het verboden dat ·iemand ‘vlas int twater doet dat men heet roten’, en het vlas mocht niet worden gelegd ‘In grachten neffens de straeten gheleghen, midtsghaders Jn loopende beken ghemeene wateringhen ofte dijcken die s’winters souden moghen ouerloopen ende daer de menschen ofte beesten haer water ofte dranck haelen’.
Het vlasgaren en het lijnwaad, dat daarna werd verwerkt en vervaardigd, o.a. op de hofstede ‘Het Rokken’, voedde weldra het ganse textielbedrijf van Roeselare, zodat er in 1735 op 2000 getouwen werd gewerkt:
In de 18de eeuw had de ‘nieuwe draperie’ haar hoogste bloeipunt bereikt, en te Roeselare werd een soort licht en fijn lijnwaad, ‘Rolette’, geweven. In 1835 waren er te Roeselare 1220 wevers op een bevolking van 9.982 inwoners.
Maar ook deze nieuwe ‘huisindustrie’ mocht het niet langer dan twee eeuwen volhouden, en reeds omstreeks het midden der 19de eeuw was zij, wegens de steeds groter wordende rechten, die de Franse en Spaanse markten op de invoer van het lijnwaad stelden, omwille van de Engelse concurrentie, die het vasteland met haar garens overstroomde, en mede door het feit dat de oude handweverij door mechanische weefstelsels werd vervangen, aan het kwijnen gegaan.
Daarom werd ten jare 1844 op de Houtmarkt een leerweefhuis ingericht, dat als een modelinrichting in den lande gold, en waar de jonge lieden, tot zijn afschaffing in 1888, leerden weven, lezen, schrijven en rekenen. De oude handwevers weerden zich met hand en tand tegen de opkomende mechanisatie; in 1860 waren er te Roeselare nog 380 ‘ouderwetse’ landse wevers werkzaam, die elke zaterdag hun stuk lijnwaad naar de stad brachten, en met de nieuwe ‘boom’ op hun kruiwagen naar huis trokken. En zelfs heden kunnen op de buiten nog enkele handwevers worden aangetroffen, die regelmatig hun stuk allerfijnste lijnwaad vervaardigen.
De eerste mechanische inrichting te Roeselare was die van de firma Tant-Verlinde in 1850. Het was de tijd van de ‘natte’ en ‘droge’ vlas- en stoppespinnerijen. Het is eerst nadat het vlas is ‘gerepeld’ en het zaad is uitgedorst, nadat dé stengels de ‘waterrote·’ of de ‘veldrote’ hebben ondergaan, en nadat het stro van de vezels is gezwingeld, dat er in de spinnerij kan draad van gesponnen worden, welke in de weverij tot kleding- en andere stoffen wordt verwerkt.
Sterker dan de ‘droge’, werd in de eerste mechanische vlasspinnerijen van Roeselare de draad voornamelijk in het ‘nat’ bewerkt, en de vezels werden er, door in hun zweet badende arbeiders, in warme doom gesponnen, terwijl in de stoppespinnerijen de ‘stoppe’ of het grove ‘werkgaren’, van geringere kwaliteit dan het vlasgaren, werd behandeld.
Vanaf 1864 echter werden de stoppe- door de jutegarens vervangen, en sindsdien hebben de jutespinnerijen en -weverijen nagenoeg de voornaamste plaats in de Roeselaarse textielnijverheid ingenomen. Steeds nieuwe fabrieken werden opgericht, nieuwe weverijen rezen uit de grond en, in 1862 werden, ten hunnen behoeve, de Ronde Kom en de Grote en de Kleine Bassin gegraven.
In 1950 beschikte de Roeselaarse textielindustrie over 30 weverijen, 10 spinnerijen, 3 fabrieken voor schietspoelen, bobijnen en textielbenodigdheden, benevens verschillende verwerijen, blekerijen, afwerkingsinrichtingen en werkplaatsen voor verwerking van textielafval. Roeselare was de grote textielstad uit midden West-Vlaanderen geworden!
Ten aanzien dan van het overwegend belang, dat de weefnijverheid ten allen tijde in de Roeselaarse volkseconomie heeft gehad, is het geenszins verwonderlijk dat zij haar weerslag in zovele Roeselaarse toponiemen heeft gevonden. Daar zijn niet alleen de kleergoedwinkels ”t Spinnewiel’ en de ‘Wolmolen’; maar ook de herbergen het ‘Getouw’, de ‘Jutespinnerij’, de ‘Vlasbloem’, de ‘Wever’ en de ‘Zwingelarij’, die later in ‘Katoenspinnerij’ werd veranderd, hebben haar aandenken bewaard, terwijl haar in de Fabriekstraat, de Garenstraat, de Spinnerstraat, de Vlasstraat, de Weverijstraat en de nieuw aangelegde Bobijnstraat en Spoelstraat een blijvende en officiële hulde werd gebracht!
–
Uit ‘Het Roeselaarse Volksleven’ van Désiré Denys (1955)


