7 december 1793. Wervik stond nog maar een keer in grote beroering. Een Franse patrouille […]
Het jaar 1583. De voortgang van de prins van Parma in de Westhoek is niet […]
In de hoge oudheid in het uitgestrekte ‘Vlaamse Woud’ verscholen, was Roeselare’s bodem grotendeels met bos bedekt. Vanaf de 12de eeuw werd de ontbossing overal ijverig doorgevoerd, en ook toen moeten er uit Roeselare verschillende bossen verdwenen zijn.
Terwijl maandag 15 september laatstleden de tweede kermisdag te Poelkapelle gevierd werd, weerklonk plots brandalarm. De vlasfabriek van M. Lamsens, aan de Strombeek, langs de Ieperstraat, stond in brand.
De streek tussen Ieper, Waasten en Armentières had veel te lijden in de jaren 1647-1659, ten gevolge van de krijgsverrichtingen tussen de Spaanse en de Franse legers. Talrijke sporen daarvan zijn te vinden in de schepenregisters van de parochies uit deze streek.
Sinds aloude tijden is de weefnijverheid de voornaamste bron van welvaart voor de bevolking van de Roeselaarse binnenstad geweest. In de hoge middeleeuwen was de lakennijverheid in het schependom de spil waarrond zich de economische bedrijvigheid van gilden (koopliedenverenigingen) en ambachten (handwerkersverenigingen) bewoog.
In augustus, september en oktober werd er dagelijks graan opgekocht. Het volk hier over misnoegd, wilde de graankopers plunderen, hetgene geschiedde te Steenstraete, Elzendamme en Roesbrugge. Enige der oproermakers werden kort gestoken en de beroerten werden gestild.
’t Droogt hier zoo ongenadig dat de puiden vergaan van den dorst, en heet dat ’t is, brandend heet. De vlasschaards en bloote stoppels liggen hard lijk Judas zijn voorhoofd, op loof zaaien valt niet te denken, en dat is bitter jammer, want de tijd is er.