banner
dec 7, 2025
56 Views
Reacties uitgeschakeld voor Grote beroering in Wervik

Grote beroering in Wervik

Written by
banner

7 december 1793. Wervik stond nog maar een keer in grote beroering. Een Franse patrouille van ongeveer 100 mannen was van uit de kant van de ‘Pavesuyt straete’ opgerukt, maar ze kwamen niet verder dan de beek. De Wervikse voorposten liepen nerveus weg van hun posities en dat voedde natuurlijk de geruchten dat de Nations nog een keer zouden binnenvallen. Elk maakte opnieuw pak en zak klaar om te vluchten en er waren er al velen die hun eigendommen in paniek achterlieten.

In de kerk was er een uitvaart aan de gang, die van Joannes Vervysch. Al de geestelijken liepen weg uit de kerk, gevolgd door de familieleden en de buren van de overledene wiens kist men ter plekke liet staan. Maar toen ze zagen dat de Fransen geen aanstalten maakten om naar Wervik te komen keerden ze terug, met de geestelijken op kop die dan maar terug in de kerk kwamen om de uitvaart af te werken.

11 december 1793. De Fransen van Komen gingen op weg in de richting van de Wanbeke om naar hun slechte gewoonte nog maar eens te stelen en de roven. Ze werden dit keer goed tegengehouden door de keizerlijken die op de Nations begonnen te schieten. Tijdens de schermutselingen werd een groot deel Fransen gedood. Een groot deel van het koren dat ze al op hun wagens geladen hadden mochten ze achterlaten tijdens hun terugtocht naar Komen.

Twee dagen later stonden de Nations er terug. Weer die van Komen, met redelijk veel volk om de keizerlijken te overvallen welke tussen Komen en Capelle-ten-Brielen op piket stonden. En natuurlijk met de vaste overtuiging om te roven. Ze begonnen om 8u in de morgen te schieten en hielden dat vol tot 16u. Het ging er zodanig hevig aan toe dat veel burgers van Wervik de vlucht namen in de overtuiging dat de Fransen weldra in de stad zouden staan. De pastoors hielden hun diensten met een mengeling van angst en vrees.

De Fransen die hier in de Overleiestraat leefden, zagen het al helemaal zitten. Ze schoten hun geweren af in de ramen van de kerk, mikten op de daken van de huizen, naar de burgers en de soldaten die ze bemerkten. Ze lieten hen maar schieten en na een tijdje geraakten ze dat spelletje beu en nog voor de avond hielden ze het vuren voor bekeken.

Op de 16de december 1793 werd Joannes Versavel door de Hannoverse soldaten voorgeleid. Enkele dagen geleden was hier een bevel gepubliceerd dat het aan niemand toegelaten werd om bij de Leie te gaan en daar zeker geen conversaties te voeren met burgers of soldaten. Het risico om doodgeschoten te worden was te groot. Deze Joannes Versavel werd opgemerkt door de torenwachter. Hoewel hij ervan overtuigd was dat niemand hem gezien of gehoord had vermits hij achter de kerk in de tuin van een huis stond.

Hij stond daar te gesticuleren en allerlei tekenen te doen en te wijzen naar de man van zijn schoonzuster die aan de overzijde van de Leie in het Franse stond. De torenwachter had dit bemerkt en is direct naar beneden gekomen, drie collega’s opgetrommeld en dan deze Versavel gaan oppakken waar hij stond. Na een kort onderzoek werd de overtreder naar Menen gebracht en later naar Kortrijk en Gent. Daar zou hij pas op 8 januari 1794 op vrije voeten komen. De volgende dag kwam hij terug in Wervik zonder enig leed aangedaan te zijn.

29 december 1793. Ignatius Herveyn werd doodgeschoten door de Nations. Hij kwam van zijn werk uit het pachthof van mijnheer Vandenbussche. Aangekomen op het kasseiweg naast de Balokkenmeersen, zowat 50 stappen binnen de ‘baillie’ waar de Nations altijd op de burgers schoten heeft hij een kogel in zijn lies gekregen, in de onderbuik. De schutter stond aan de overzijde van de Leie. Herveyn heeft nog drie à vier uur geleefd. Op de laatste dagen van het jaar hebben de armenmeesters op het stadhuis een verzoek ingediend om maar één keer rond te gaan in de kerk omdat de armoede zo groot was.

Ze kregen hun zin en daardoor ontstond er nu een geschil tussen de propoosten van de geestelijke broederschappen. Als de schalen in de kast moesten blijven kon de dienst volgens hen niet meer gedaan worden zoals dat gebruikelijk was. Zo bijvoorbeeld het lof van de vrijdag eindigde normaal met het rondgaan van de schaal van de Engelbewaarder zodat de jaarlijkse betaling van al die diensten zou kunnen vereffend worden. Net zoals dat gebeurde bij al de andere broederschappen. Ondanks die protesten heeft de schaal voor de armen en de extreem arme mensen niet meer mogen rondgaan.

Het land zat in die dagen bijna helemaal vol met soldaten die bij de boeren een stek vonden, volgens de beschikbare capaciteit van de plaatsen die ze hadden in de diverse parochies en steden. En dan vooral waar ze het nodigst waren. De Fransen zaten ook alom verspreid aan de grenzen om hun vijanden op te wachten of als ze de kans zagen die op onze kant te bespringen.

Beide partijen bleven patrouilleren aan weerszijden van de frontieren. De Fransen kwamen uit Komen tot aan de Pavesuyt-beek en gingen rond tot aan de ‘Plancke’ van Mesen, opwaarts draaiend tot aan de kanten van Capelle-ten-Brielen. De verenigde keizerlijke troepen die hier in de omtrek lagen patrouilleerden tot aan het Korentje en de Carote. De boeren en de burgers die in deze wijken woonden werden gepluimd en waren zo goed als geruïneerd. Wie er bleef wonen leefde hier in voortdurend stervensgevaar. Langs al de kanten van de Leie, te weten van Kortrijk tot Armentières hebben de boeren amper of niet kunnen zaaien. Dat was niet moeilijk om te begrijpen want de Nations schoten altijd op de werklieden.

Haast al de treffelijke boeren van weerskanten het water werden geplunderd en geruïneerd. Diegenen die hun hof verlieten en met de beurs in de hand in een stad of dorp gingen gaan leven waren gewoon het best van allen af. Op de 12de december gaf onze keizerlijke majesteit de opdracht aan de bisschoppen dat al de geestelijke sermoenen en gebeden moesten bestemd zijn voor het welzijn van het land. Elke 40 dagen moest er een biddag georganiseerd worden en op de Franse plaatsen moest dat een dag zijn van ’s morgens om 9u tot 12u en na de middag tussen 15u tot 18u.

Veel mensen stierven door ziektes. Er waren maar weinig locaties in het hele land waar de rode of de grauwe loop niet regeerde. Deze ziekte kwam eerst met koorts, verdwaasde en verdoofde de mensen. Diegenen die sterk aangegrepen waren door deze inwendige brand mochten er haast zeker van zijn dat ze eraan zouden overlijden. De ziekte was zeer ‘betrapelijk’. Dit jaar werd al het hout en het sprokkelhout van de berg afgehakt. Nu eens van de geallieerde troepen en dan weer van de Fransen. Het was er zo kaal en desolaat dat men er vanuit de stad een hond kon zien lopen.

Al de inwoners waren er weggevlucht, het terrein zag er uit als een ‘doolaege’, één aangesloten moeras en slijkboel. De kasseiweg kon men niet langer onderscheiden van de meers. Sinds de 14de september gingen de soldaten niet langer patrouilleren op de berg. Van schieten was daar niet langer sprake. Het dagelijks schieten van de patrouilles gebeurde sindsdien in de omgeving van het Korentje of de Carote en de Pavesuyt en ze kwamen tot tegen Capelle-ten-Brielen. De Fransen braken dan meestal uit vanuit het fort van Komen en op de vermelde wijken leefden er ondertussen al Fransgezinden die in het voordeel van de Nations en als ze de kans schoon zagen hen voorzagen van koren, boter, vlas en garen.

En terwijl er geschoten werden blauwden ze alles naar Komen want dergelijke producten waren zeer populair bij de Nations die er goed voor betaalden. Wat hebben we hier in 1793 niet allemaal gezien aan soldaten? Keizerlijken, Engelsen, Ulanen, Hollanders, Franse émigrés, Hannoverse en Hessense troepen en Polen. Van al die mannen waren de Hollanders de beste. Die van Hannover waren het goedaardigst naast de Hollanders, maar ze waren bevreesd in de oorlog en goed voor de burgers. De Ulanen waren de gemeenste van allemaal, ten opzichte van de mensen. De Engelse soldaten waren erg proper en schoon op zichzelf maar toch ook wel kwaadaardig tegenover de bewoners en dat laatste kon ook wel gezegd worden van de Hessense mannen.

  1. Januari. Uit Komen kwamen nu zowat dagelijkse patrouilles die de hele stad in rep en roer kwamen zetten en de burgers die niet al te stout waren uit de stad deden weglopen. Er was in Wervik inderdaad maar een povere voorpost van de keizerlijken gestationeerd. Zestig bevreesde soldaten die al begonnen te vluchten als ze 30 Nations (Carmagnolen) zagen. Voor die van Hessen-Kassel die hier waren in februari bleken de grootste broekschijters.

Achterliggend was de verdediging wat beter. De batterijen in de buurt van Geluwe waren vooral in de ochtenden wel voorzien van volk en telkens als de Fransen opdaagden stonden de Wervikse voorposten al te trappelen om snel naar de Geluwse batterijen te vluchten. En daardoor kwam onze stad natuurlijk telkenmale in de greep van de Fransen. Die dagelijkse vrees en benauwdheid door het schieten van deze patrouilles was telkens opnieuw een vreselijke ervaring.

De boeren van de westzijde van Wervik mochten haast elke dag met hun beesten de plaats ruimen tot het meeste schieten voorbij was. Geschut dat dagelijks om 7u begon en pas eindigde rond 13u of 14u.

Dit is een fragment uit Boek 10 van De Kronieken van de Westhoek

Article Tags:
· · · · · · · · · · · · · · · · · ·
Article Categories:
fragment uit deel 10
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Comments are closed.