Anno 1915, op de 13de februari. Begrafenis van acht burgers. Hoeveel tristesse toch! De spreekzaal van de zwarte zusters, getransformeerd tot lijkenhuis had al heel wat oorlogsslachtoffers de revue zien passeren. Die namiddag, tussen 14u en 15u, vijf of zes shrapnels. Onze kanonnen bulderden met een ongehoorde felheid. Beangstigende slagen die de deuren en ramen lieten beven en zelfs de grond onder onze voeten deed schudden.
Anno 1915, op de 13de februari, om 8u ging de begrafenisdienst van de slachtoffers door. De acht doden waren ingesloten in vijf lijkkisten. De kerk van de zwarte zusters was te klein om de toestroom van volk op te vangen. Het was een hartverscheurende ceremonie. Ook voor mijzelf voelde de dienst zeer pijnlijk aan, want die ochtend moest ik nu al voor de derde keer een van mijn leerlingen begraven. Bij ons in het klooster verbleven nu 250 Schotse soldaten en er verbleven nog een 250 in onze bewaarschool.
Anno 1915, op de 13de februari, zaterdag. De begrafenis van de vijf overleden burgers van ons hospitaal. Heel ons personeel werd vandaag voor de tweede keer gevaccineerd. Dat maakten dat iedereen een beetje …. van zijn stuk gevallen was. Vandaag werden er ook nog eens 16 zieken naar Sint-Omer gevoerd. Er vielen enkele shrapnels op de Hoge Brug, op de Sterre en de ijzerweg.
Anno 1915, op een zaterdagnamiddag in februari, maakten we kennis met onze half vernielde stad toen we bij de paters te biecht gingen. In de Lange Torhoutstraat waren slechts enkele huizen zwaar beschadigd. In de Korte Torhoutstraat was het erger. Hoe dichter bij de markt hoe meer de huizen verwoest waren. Voorbij de inrijpoort van het hospitaal (toen het politiebureau) stonden eertijds twee huizen die aanleunden tegen het hospitaal. Nu waren die huizen zwaar beschadigd. De voorgevels gaapten wijd open en lieten een stuk van de inboedel zien. De slaapkamers lagen open voor onbescheiden blikken. Afhangende plankieren vormden een glijbaan voor neerstortend puin; bakstenen, morten en versplinterd hout. Het da dat nog gesteund was door enkele balken dreigde in te storten. We vroegen ons af waar de inwoners waren. De Bank van Kortrijk aan de andere zijde was uitgebrand. De muren stonden nog overeind als een soort geraamte. Op de Grote Markt was de verwoesting zo omvangrijk dat ze niet met één blik te overzien was.
Het was verbijsterend! Het Nieuwwerk stond er nog gedeeltelijk. De eerste pijler was weggeslagen en het plankier van het kabinet van de burgemeester hing tot op de begane grond. Het dak was verdwenen en doorheen de puinen zagen we een rond venster dat we niet gewoon waren te zien. Verder stonden onze ooit zo heerlijk hallen nu zonder dak, uitgebrand en met een gatige voorgevel. Het verminkte belfort stond er zonder spits en met slechts drie hoektorentjes. De vergulde cijfers hingen nog op de wijzerplaat maar de wijzers stonden stil. Achter de lakenhalle stond rijzig en statig de doorluchtige toren van de kathedraal waar bovenop de vlaggenmast een zwarte stuk stof als rouwvlag diende. De huizen aan de zuidzijde en de westkant vormden niet langer de omlijsting van het grote plein. Zwart berookte stompen van muren, wanstaltige zijgevels en schoorstenen staken als om hulp roepende armen in de lucht. De aanblik was overweldigend. Niemand van ons zegde een woord, we stapten haastig over de markt omdat we hier niet beschut werden. Op de Neermarkt was het niet veel beter gesteld. Maar na het zien van de markt maakte de Boterstraat toch minder indruk. De paterskerk was beschadigd. Een granaat had het dak en de zoldering doorboord terwijl met nu het gat zo goed mogelijk had proberen te dichten. Wij kinderen dachten dat de vernielingen die we gezien hadden nooit zouden kunnen hersteld worden. Vader zei dat het in elk geval nog veel jaren zou duren.
Anno 1915, op de 14de februari, het weer was barslecht maar daar trok de oorlog zich niets van aan. ’s Avonds kregen onze batterijen buiten de vestingen heel wat shrapnels en obussen over zich heen. Die nacht zou er niet veel veranderen.
Anno 1915, op de 14de februari, weinig te melden met uitzondering van een gendarme die gedood werd in de Rijselstraat. En dat de Duitsers twee loopgraven heroverd hadden.
$011 Anno 1915, op de 14de februari, de Franse onderluitenant Petit was sinds 1 februari vanuit zijn standplek in Sint-Jan teruggekeerd naar de modderige loopgraven en gaf een ontroerende beschrijving van het leven aan het front bij de Broodseinde; ‘ik was zo ziek als een paard. Vanavond zou ik misschien wat kunnen uitrusten in Sint-Jan, maar dat ging niet. Het leven in de loopgraven begon me droevig te lijken. De heldhaftigheid was een uitvinding van de achterban om ons al de ontbering en de pijn die ons werd opgelegd te doen slikken. Iedereen had er de buik van vol, we waren de oorlog allemaal beu. Het regende met rukwinden, de wind was hard.
De aflossing verliep normaal en we gingen binnen in de loopgraven waar het water tot boven de enkels reikte. Nooit had ik de indruk dat het zo lastig was als bij deze tocht van Broodseinde naar Sint-Jan. De kogels die ons om de oren floten deden ons het hoofd niet eens omdraaien. Een strakke wind sloeg ons regenvlagen en ontsmettingsstof in het gezicht. De mars was verschrikkelijk moeilijk, temeer dat we in het donker in wagensporen en granaatputten vielen. Rechts en links, in de mistige lucht, brandden – schaars verlichtend – de Duitse vuurpijlen, en voor ons, zeer ver, wezen aanhoudende lichtschijnsels op een hevig bombardement. Eindelijk, omstreeks 3u30 kwamen we aan ons doel, bij vader Pol, die ik me goed herinner. Niet veel om te slapen, een beetje gehakt stro met de helft aarde. Het deed er niet toe: we hadden een dak.
–
Uit ‘De Grote Kroniek van Ieper’ (werk in opbouw)


