Tijdens deze cruciale dagen komen de gezanten die voor Artevelde naar Engeland uitgestuurd werden terug in Calais. Ze zijn in het gezelschap van William van Frenton die in naam van koning Richard II een eeuwig verbond met de Gentenaars en hun bondgenoten wil sluiten. Maar aangezien de campagne van de Fransen volop aan de gang is raadt de bevelhebber van Calais hen aan om daar ter plekke te blijven en even te wachten op de uitslag van de veldtocht. Artevelde kan nu op dit moment niets aanvangen met de Engelse beloftes terwijl hij op het punt staat om rechtstreeks met de Fransen in de clinch te gaan. Bij een overwinning van de Vlamingen kunnen ze dan gemakkelijker de oorlog verderzetten maar in geval van een nederlaag moet er niet al te veel goeds van de Fransen verwacht worden.
De gezanten kunnen zich vinden in dit advies en blijven dus voorlopig waar ze zijn. Filips van Artevelde staat er dus met andere woorden alleen voor. Terwijl de koning zich nog in Ieper bevindt begint hij al meteen zijn krijgsmacht te versterken. Hij trommelt extra volk op uit Gent, Brugge, het Brugse Vrije, Aardenburg en de steden die hem trouw gebleven zijn. De geruchten dat de Fransen van plan zijn om op te rukken naar Brugge noodzaakt de ruwaard om 40.000 manschappen weg te trekken uit het beleg van Oudenaarde en die voor deze stad te positioneren. Hun vertrek zorgt voor een immense opluchting bij de bewoners van de Scheldestad.
Na zes maanden staat het water hen tot aan de lippen en dreigt het gebrek aan levensmiddelen voor nog meer ellende en zelfs de dood. Die van Oudenaarde vinden het veelbetekenend dat het wegtrekkende leger van Artevelde in de lucht vergezeld wordt door hele horden kraaien. De kroniekschrijvers vergeten hun commentaar niet te vermelden als ze roepen en de toch wel macabere voorspelling scanderen ‘ga, ga naar de dood, die uw lichaam zullen eten vliegen boven uw hoofd’. Artevelde vertrekt dus met zijn leger en zijn kraaien via Kortrijk naar Roeselare. Hier in de buurt wil hij de weg afsnijden voor de Fransen om hen te beletten om Brugge in te nemen. Het komt natuurlijk niet goed uit dat die van Gent nog maar korte tijd geleden Brugge beroofd hebben van drie stadspoorten en de stad er nu open en bloot bijligt. De heer van Herzeele en andere commandanten ontraden Artevelde om de strijd met de Fransen aan te gaan. Maar weer is het diezelfde Hendrik Carpentier die zijn willetje kan doordrijven bij Filips van Artevelde. Mijnheer van Herzeele die deze zinloze strijd niet ziet zitten, kwetst zichzelf aan de voet zodat hij wel noodgedwongen moet terugkeren naar Gent.
De Guldenberg van Westrozebeke
26 november 1382. Artevelde vertrekt met zijn volk uit Roeselare om de Franse krijgsmacht tegemoet te gaan. Niet zo ver van Westrozebeke krijgt hij de vijand in het zicht. Hij vindt er een zeer voordelige legerplaats om zijn kamp op te slaan zonder dat de vijand hen zou kunnen aanranden. Het Franse leger slaat zijn kamp op niet zo ver verwijderd van de Vlamingen. Tussen beide strijdkrachten bevindt zich enkel een partij land en een molendam, ter plekke de ‘Guldenberg’ genoemd. De avond valt natuurlijk al vroeg zo laat in de herfst. De Vlamingen profiteren van de invallende duisternis om te eten en te drinken en om zich te versterken voor de slag van morgen. Dan gaan ze allemaal rusten. Rond middernacht ontwaakt het hele kamp – Artevelde incluis – door een vals alarm op de Guldenberg. Even later zetten de Vlamingen hun gestoorde nachtrust verder. Geschiedschrijver De Lettenhove vertelt er nog bij dat Arteveldes vrouw Yolanda Van den Broecke haar man vergezelt in zijn tent. En dat het echtpaar er toch niet helemaal gerust in is. Enkele dagen geleden werd haar broer in Ieper geslachtofferd bij de komst van de Fransen. Als het hier morgen in Westrozebeke verkeerd loopt zou ze nog wel nog eens weduwe kunnen worden.
27 november 1382. Een donderdag. Filips van Artevelde is al heel vroeg opgestaan en laat de trompetten schallen. Tijd om te vechten. De Vlamingen stellen zich op in hun slagorde. Aan de overzijde zijn de Fransen ook al wakker. Graaf Lodewijk heeft de hele nacht het kamp bewaakt met 600 ruiters. Nog voor het klaar wordt laat de koning een heilige mis opdragen om te bidden tot God dat hij hun wapens zou willen zegenen. Daar hebben de Vlamingen niet eens aan gedacht. Voor de strijd begint heeft Filips van Artevelde ook nog wat te zeggen. Hij pompt zijn mannen moed in, zij hebben de Engelsen nergens voor nodig omdat die achteraf toch maar zouden weglopen met de eer van de overwinning. De Gentenaar stelt zich meedogenloos op t.o.v. de Franse edelen.
De Vlaamse strijders mogen hen niet sparen maar moeten ze zeker doden, wie genade toont voor hen verdient zelf de doodstraf. Alleen de Franse koning zullen ze in leven houden, hij is nog een kind en weet niet wat hij doet. Die zullen ze naar Gent leiden om hem daar het Vlaams aan te leren. Maar geen van de Franse hertogen, graven en edellieden mag ooit nog naar Frankrijk terugkeren. Of deze speech al dan niet uit het brein en de fantasie van een Franse kroniekschrijver voortspruit maakt natuurlijk een groot verschil uit voor de nagedachtenis van deze Filips van Artevelde. De schrijver heeft het er in elk geval over dat de Vlamingen door zijn woorden zodanig opgefokt zijn dat ze zich onoverwinnelijk achten. Rond 8u verlaten ze hun veilig kamp en lopen ze slordig en ordeloos de Guldenberg op om subiet het karweitje aan te pakken. De Vlamingen vinden het zelfs niet nodig om zich zoals anders te beschutten achter hun karren en wagens.
Nee, ze vallen direct aan, met een verschrikkelijke charge die de afdeling van de koning doet terugdeinzen. Daarna stormen ze zonder enige schrik op de beide vleugels van het Franse leger. Pas op dat moment ontrolt de vijand de koninklijke standaard en begint het echte gevecht. Duizenden Fransen die de Vlamingen zo scherp in de tang plaatsen, hen van zo dichtbij omsingelen en op een hoopje persen dat ze niet eens hun wapens kunnen gebruiken. In dit gedrum zijn ze niet eens in staat om zich te bewegen, laat staan om te slaan met hun ijzerwerk. In dit onoverzichtelijk kluwen van menselijke lichamen kappen en kerven de Fransen verschrikkelijk in op de Vlamingen. Op nog geen uur tijd is het spel hier afgelopen.
–
Uit deel 9 van ‘De Kronieken van de Westhoek’ – Het oud Verhaal van Vlaanderen –


