De wapenstilstand die op 5 februari 1555 afgesloten werd met de Fransen houdt stand tot 7 juni 1556. Het huwelijk met de Engelse koningin is er te veel aan voor de Fransen. Filips gooit de troepen van Mary Tudor op tafel en doorbreekt het evenwicht tussen de partijen. De vreugdevuren zouden beter getemperd worden vrees ik. Twaalfduizend Engelsen worden naar de Nederlanden verscheept en ‘de oorlog wierd alsdan straffer als te voren aangevat.’
In Veurne zien ze er voorlopig geen graten in. De grens met Frankrijk ligt nu behoorlijk verafgelegen en er functioneren nogal wat versterkte bolwerken als buffer. Niet iedereen hier is er echter gerust in, vooral op den buiten vrezen ze weer voor het binnendringen van Franse troepen en zullen de nodige verwoestingen weer hun deel worden.
Wat niemand voor mogelijk gehouden heeft, gebeurt in 1558. De Fransen heroveren Calais op de Engelsen. Hoe dat in zijn werk gaat, vertellen de jaarboeken omstandig. ‘De koning van Frankrijk had verstaan dat de versterkingswerken van Calais vervallen waren en dat er maar zeshonderd mannen, luttel ervaren in de oorlog, in garnizoen lagen. Hij zond (wat niemand verwachtte) zijn legers om deze havenstad te belegeren in het midden van de winter. Ze sloegen er hun kampen op de 1ste januari van 1558. De Engelsen zonden enige schepen welke door de stormen en grote winden niet op hun bestemming konden geraken en omdat de troepen van de keizer zich in de Nederlanden bevonden, werd de voorzeide stad op de 8ste van dezelfde maand aan de Fransen overgegeven.’
Dat verandert natuurlijk het plaatje voor Veurne. De vrees groeit dat de Fransen het land zullen binnenrukken. De kasselrijen van de Westhoek krijgen de opdracht om dringend gewapend volk naar de oevers van de Aa te zenden waar men naarstig de wacht houdt. De oorlog lijkt zich in de loop van het voorjaar te gaan concentreren op het Luxemburgse. Die van Veurne houden echter angstvallig Calais in de gaten waar een beruchte maarschalk de Termes bezig is aan de opbouw van een Frans leger. Al bij al ligt de Westhoek er vrij onbeschermd bij gezien het leger van de Nederlanden in de clinch gaat met de vijand ter hoogte van Luxemburg.
‘Het magistraat van Veurne, zeer zorgvuldig bezig om zijn stad te beschermen, deed tot Brugge goede provisie van buspoeder kopen, en zonden gezanten naar de heer Montigny, de gouverneur van Brugge en naar de andere leden van het land nopens de bescherming vanden lande. Middelertijd kwam maarschalk de Termes met zijn leger in het laatste van juni 1558 naar de rivier de Aa, en die overtrekkende heeft hij al de boeren en soldaten verslagen die hem de doortocht wilden beletten.’ Grevelingen en Broekburg worden genegeerd en op 1 juli 1558 zijn de Fransen ‘onvoorzien voor Duinkerke gekomen, alwaar zij dadelijk grof geschut op de duinen deden plaatsen en de stad zeer sterk lieten beschieten.’
De gouverneur van Grevelingen smeekt in de Westhoek om levensmiddelen en steun. Vanuit Veurne vertrekken er enkele wagens volgeladen met graan, maar die worden door de Fransen tegengehouden en teruggestuurd. Pas dan horen ze hier over de belegering van Duinkerke en is het weer van dat: ‘kort daarna zag men reeds de Franse soldaten het land aflopen en roven op al de parochies die omtrent de zee gelegen waren, tot onder Nieuwpoort toe. Zij staken aldaar veel huizen en hofsteden in brand.’
De inwoners van Veurne-Ambacht panikeren natuurlijk. Ze vluchten met hun beesten en hun beste goederen halsoverkop naar de beslotenheid van de steden. Veurne wordt in zeven haasten voorzien van oorlogsmunitie en tweehonderd soldaten om de stadsmuren te bewaren. ‘De wethouders van Veurne deden de straten en de wegen rond de stad gelegen opdelven welk voorbeeld ook gevolgd werd door die van de kasselrij, die op al de prochien hetzelfde deden verrichten. Al de bruggen werden afgeworpen en men liet een menigte bomen vallen in de straten en wegen om de vijand het aflopen van de kasselrij te beletten.’
Het verslag van toen blijft onovertroffen. ‘Nadat die van Duinkerke vier dagen lang het beleg met enige bestormingen weerstaan hadden, zagen ze dat ze zich niet verder konden verweren omdat ze simpelweg geen soldaten in garnizoen hadden. Ze deden daarom met de trommel slaan ten teken van overgave. Tussen de onderhandelingen over een verdrag door zijn de Fransen onvoorzien langs de zijde van de haven in de stad gevallen en hebben die geplunderd en beroofd. Al diegenen die hun goed wilden beschermen werden dood geslagen en daarna hebben ze de stad in brand gestoken. Het was jammer om zien om zo een menigte schone huizen met de parochiekerk te zien verbranden. De Fransen haalden daar zeer veel buit want hier werd veel koophandel bedreven. Een groot deel ervan werd met schepen over de zee naar Calais gevoerd.’
Maarschalk de Termes laat Duinkerke direct bezetten en vertrekt dan richting Sint-Winoxbergen waar de inwoners zich zonder slag of stoot overgeven. Toch moeten ze ook de bittere beker van de vernieling en roof ledigen. Het rijke en weelderige Hondschote volgt en daarna komt Veurne-Ambacht aan de beurt. ‘Een menigte huizen en hofsteden werden er door de Fransen in brand gestoken.’ Een deel van het vijandelijk leger zakt nu af naar Veurne waar ze natuurlijk met een ei in de broek zitten. De Fransen zijn blijkbaar goed op de hoogte dat Veurne goed beschermd wordt en laten de stad gelukkig links liggen. Op het platteland valt er veel meer te rapen.
De leden van het magistraat van Veurne-Ambacht hebben zich tijdens het beleg van Duinkerke gevestigd in de parochie van Reninge omdat ze van hieruit het best de situatie in de kasselrij kunnen managen. Op 7 juli vertrekken ze naar het klooster van Lo. ‘Toen bevolen ze om de parochies van het Bloote te bevrijden van beroofd te worden, van al de bruggen over de Lovaart af te breken en ze geboden aan de inwoners van de prochien ten oosten van de Lovaart met hun wapens af te komen om er de overtocht van de vijand te beletten.’
‘De Fransen trokken door de sluizen van Duinkerke de wateren van Veurne-Ambacht zo veel mogelijk af om zo beter tot in de kasselrij te geraken. Het magistraat deed dammen opwerpen aan de Steengracht, de Calommegracht en de andere grachten, komende in de Lovaart, om de wateren uit de vaart niet te verliezen en daardoor durfde de vijand de Lovaart niet over te steken. Het westelijke deel van de kasselrij kreeg desondanks te maken met Franse rooftochten en leed onder de grote verwoestingen. Net op het moment dat het er weelderig was en vol met rijkdommen want de bewoners hadden er nu omtrent de zesentwintig jaar in rust geleefd.’
Er komt dan toch steun vanuit eigen rangen. Koning Filips geeft bevel aan de graaf van Egmont om met een leger naar de Westhoek te verhuizen om er de Fransen te verdrijven. Egmont wordt vergezeld van de heer van Bignicourt en andere ‘vrome’ kapiteinen. Terwijl ik me afvraag welke militaire voordelen er mogelijk verbonden kunnen zijn aan de eigenschap vroomheid, voegen de garnizoenen van onder andere St.-Omer, Ariën en Bethune zich bij de Nederlandse troepen en smelten ze zo samen tot een leger van dertienduizend man.
De Fransen verlaten haastig Duinkerke en proberen zich uit de voeten te maken via de ondiepe haven van Grevelingen. Op 13 juli 1558 arriveren de legers van de Nederlanden in datzelfde Grevelingen. ‘Op een halve mijl er vandaan heeft van Egmont de Fransen aangetast en een slag geslagen die ten groten nadeel van de Fransen uitviel als hun leger daar helemaal verslagen werd. Maarschalk de Termes werd er gekwetst en gevangen genomen net zoals veel andere treffelijke heren en officieren. Bijna al de roof en buit die ze in Vlaanderen verzameld hadden, werd hun afgenomen en nu was het aan de beurt van de Nederlandse soldaten om er zich mee te verrijken.’
Een deel Fransen wordt gevangen genomen en naar Vlaanderen gezonden. Tweehonderd onder hen worden achter de tralies gezet in Veurne en zullen er blijven tot aan de vrede. ‘Ten is niet zeggelijk wat blijdschap datter in het land ontstond om het gewin van deze slag.’ Op 25 juli 1558 is het feest opnieuw aan de orde. Weer al eens vreugdevuren in Veurne met als toemaatje natuurlijk de gebruikelijke processies en dankzeggingen ter ere van ‘superman’ God en zijn afgevaardigden in de hemel.
Op 21 september 1558 scheidt keizer Karel van deze wereld en organiseren ze in Veurne een uitvaartmis. Er volgt nog zo een prachtige uitvaartmis. Dit keer in de loop van november ter ere van de overleden Mary Tudor, de echtgenote van ‘onze genadige koning Filips’. Met Pasen, 3 april 1559, wordt er opnieuw vrede gesloten met Frankrijk. Het stadsbestuur is verheugd dat ze verlost zijn van de hoge kosten om de Aa bezet te houden. Weer zo’n moment om feest te vieren en ‘des avonds werden er enige vuurwerken ontstoken en andere genoegten bedreven.’
Het vredesakkoord van Cambrai bezegelt ook het lot van Terwaan. De stad blijft afgebroken. De eigendommen van het bisdom moeten verdeeld worden tussen dat van Sint-Omer en een nieuw te stichten bisdom aan Vlaamse zijde. De keuze valt op Ieper, dat de voorbije jaren eigenlijk al de hele tijd de bisschop en zijn staf gehuisvest had. Veurne vist achter het net. Martinus Rijthove, dokter in de godgeleerdheid, een zeer wijs en waardig man wordt tot eerste bisschop van Ieper benoemd. Mijn man weet op dat moment nog niet wat hem allemaal te wachten staat. Voor de Veurnenaars zal weldra ook een heel andere tijd aanbreken.
Dit is een fragment uit Boek 6 van De Kronieken van de Westhoek


