Tijdens de zomer van 1580 groeit de angst dat het leger van de malcontenten een aanslag zal plegen in Veurne-Ambacht en mogelijk ook in Nieuwpoort. Dat leger helt meer over naar Spanje dan naar de Staten van het land die volgens hen alleen maar samenheulen met de calvinisten.
Tijdens de zomer van 1580 groeit de angst dat het leger van de malcontenten een aanslag zal plegen in Veurne-Ambacht en mogelijk ook in Nieuwpoort. Dat leger helt meer over naar Spanje dan naar de Staten van het land die volgens hen alleen maar samenheulen met de calvinisten. De malcontenten zijn in het bezit van het fort te Roesbrugge. Hun Waalse bondgenoten hebben beslag gelegd op het fort van Ekelsbeke. De dreiging voor Nieuwpoort is reëel. Baljuw Jacob Marchant ziet zich op 19 augustus 1580 verplicht om in Gent bijstand te verzoeken bij Willem van Oranje. De Hollander belooft hem met de hand op het hart dat hij zal oprukken tegen beide forten.
Het blijft echter bij vage beloften. Een van de argumenten van Marchant bij de prins is natuurlijk de praktijk van de brandschattingen die de malcontenten opleggen aan de bevolking van de Westhoek. Ze eisen enorme sommen om de mensen zogezegd in veiligheid te laten. Uiteraard zijn dat zonder meer maffia-waardige afperspraktijken. Om het bedrag van de brandschatting te kunnen betalen zien ze zich in het Westkwartier verplicht om zilverwerk en juwelen van de kerken en de gilden te verpatsen. Ook de bezittingen van de gasthuizen gaan onder de hamer. De poorters van Nieuwpoort worden dank zij de aanwezigheid van de Hollanders gespaard. Nieuwpoortnaars die buiten hun stad door de malcontenten worden opgepakt hebben echter niet te kiezen. Enkel met geld op de tafel komen ze vrij.
In maart 1580 is er voor de eerste keer sprake van een wandaad tegen de katholieke kerk. René Dumon laat tussen zijn tanden glippen dat dit de eerste keer is sinds het vertrek van het Hollandse garnizoen in 1577. Vreemd dat hij dat niet eerder verteld heeft. De misdaad in kwestie wordt gepleegd door een dronkaard. Een zekere Frans Bart zal dus wel ferm boven zijn theewater zijn als hij binnenstommelt in de pastorie van priester de Waele en die met een mes bedreigt en met scheldwoorden begint te overladen. Met zijn dronken kloten vindt de calvinist het dan nog nodig om de kasten en de koffers van de kerkvader open te breken. Achteraf krijgt hij de rekening gepresenteerd. De ontnuchtering zal nu wel compleet zijn. Frans Bart wordt aangehouden en door de stadhouder van de baljuw voor de rechtbank gedaagd. Die stadhouder in kwestie is Joos Dhondt.
De sukkelaar heeft de gemene rust bedreigd en de religions-vrede gebroken en zal daarvoor zijn straf krijgen. Hij zal zich publiekelijk voor het schepencollege en op zijn blote knieën moeten verontschuldigen en daar ter plekke vergeving dienen te vragen aan God van het hemelrijk en ook aan de kwasten van justitie. En zeggen dat het hem ‘leed is’. Als extraatje wacht hem nog een boete van tien pond. Als hij nog eens een keer zoiets waagt zal hij uit Nieuwpoort weggejaagd worden.
Het aantal poorters dat overloopt naar de nieuwe godsdienst stijgt met de dag. Een fenomeen die zich voordoet onder alle lagen van de bevolking. Predikant Pieter Everaert die de hervormden moet onderwijzen kan het niet langer alleen bolwerken en krijgt er een assistent bij. Op 21 juli 1580 wordt Bernart Faillie de tweede predikant in Nieuwpoort. Hij zal dezelfde wedde krijgen als Everaert. Vierhonderd gulden per jaar en zijn huispacht wordt vergoed door de stad. Zijn katholieke tegenhanger ziet deze ontwikkelingen in zijn stad natuurlijk niet graag gebeuren. Pastoor Christiaen de Waele onderneemt vruchteloze pogingen om zijn parochianen bij hun geloof te houden. Hij geeft zelf het goede christelijke voorbeeld door tijdens de jaren 1579 en 1580 meer dan tweehonderd pestlijders bij te staan aan hun sterfbed. De ziekte moet in die periode vermoedelijk ongemeen hevig toeslaan. Eind december 1580 wordt de apothekerswinkel voor zes weken gesloten nadat daar een pestlijder op bezoek geweest was.
Christelijk of niet, de pastoor wordt niet bepaald graag gezien door de ‘hervormde ijveraars van het protestantisme’. De haat tegen de Waele scheert hoge toppen. Op een zekere nacht lokken onbekenden de priester in een hinderlaag waar ze hem mishandelen. Achteraf wordt hij op een bootje gedeponeerd en, zonder zeil, riemen en voedsel overgelaten aan de grillen van de zee. Tot de sloep vastloopt op het strand van Lombardsijde waar de arme priester zich kan bevrijden. Hij vindt er een onderkomen op een hofstede en keert later terug naar Nieuwpoort.
En daar wacht hem al een nieuwe valstrik. Een identiek geval maar dit keer zal de boot lek geslagen worden. Alles zal overnacht gebeuren en heel clandestien allemaal. Eén en ander gebeurt niet zoals gepland werd. Aan de stadspoort (vermoedelijk de Stegerspoort) beginnen de schurken te panikeren wanneer ze een bende ruiters in aantocht zien komen. In hun angst dat het hier om Spanjaarden gaat slaan ze op de vlucht en komt de geplaagde pastoor zo weer op vrije voeten. De man beslist dan maar om Nieuwpoort te ruilen voor een onderkomen in het klooster van Sint-Omer. Daar is de grond minder heet onder zijn katholieke voeten.
‘Het viel allemaal wel mee’, beweert René Dumon over de pesterijen tussen de religies. Tussen 1576 en 1583 vinden er enkele wandaden plaats tijdens de eerste maanden van de Hollandse bezetting. De soldaten van het garnizoen zijn de schuldigen. Tijdens een nacht in het jaar 1576 wordt op het kerkhof een Christusbeeld gejat en naar het galgenveld gesleurd en er aan de galg opgehangen. Arme Jezus mag blijkbaar nog een keer zijn ellende meemaken hier in Nieuwpoort. Het beeld van zijn moeder wordt uit het kerkportaal gestolen en later op de stadsvesten teruggevonden. En dan is er ook nog sprake van rellen wanneer de hervormden een van hun vrienden nogal ostentatief en op hun protestantse manier ten grave dragen.
–
Dit is een fragment uit Deel 7 van ‘De Kronieken van de Westhoek’.


