Over tijd, ze deien alle jare een jaargetijde, maar ze deien toen vier zakken, honderd kilo, koren bakken voor de werkmensen. Die mensen hadden de groten dienst gedaan, maar geen koren doen bakken.
In oude sprookjes vindt men nog een andere verklaring. Daarin wordt verteld, dat de duivel een groot boek heeft, waarin de namen van alle mensen staan. Als hij op zoek gaat naar nieuwe slachtoffers, begint hij uit dat boek luid namen op te lezen en telkens wanneer hij de naam van een persoon uitspreekt, moet deze niezen. Omstanders moeten dan gauw zeggen ‘God zegen je! en het gevaar is geweken.
Van als Clemences tweede kindje een half jaar oud was, kwam ’t ziekelijk. ’t Teerde lijk geheel uit en ’t krees altijd. Dat was lijk geen schreien, maar lijk klagen, krijsen. En Clemence kreeg lijk benauwd en ze zei tegen haar vent: ‘Zouden we altemets niet naar de paters gaan?’ ‘Maar’, zei haar vent; ”t gaat algelijk zo slecht niet, ge gaat toch zo onnozel niet doen zeker?’
Ze kwakzalverde zodanig dat er meer geiten stierven dan ze kon genezen. Ze werd op de duur door iedereen gemeden.
Het, getal drie.
Volgens PYTHAGORAS stelt het getal drie de volmaakste harmonie voor. Het is volmaakt door lengte, breedte en diepte, buiten welke demensien geene afmeting bestaat.
Als de huisspinnen druk aan hunne webben werken, de muggen ’s avonds laat hoog in de lucht spelen, spinrag door de lucht zweeft en het veld met fijne zijde achtige draden als spinzij bedekt wordt, en de bloedzuiger, onbeweeglijk op den bodem van de waterflesch blijft liggen, en de haarlokken der dames goed in de krul blijven, zoo is er schoon en warm weer. voorhanden en bij den winter vorst.
’t Huisens op d’ hofstee, als ik een joengentje was, de beesten kwamen ziek, de koeien hadden luizen, en Capoen, de peerdemeester, kwam en ’n zei dat ’t van ’t water kwam.
Als we wieder onze plechtige kommunie deien, me gingen naar de Kemmelberg en me wandelden daar en de nonnen zeien: ‘je meugt alsan niet daar op trappelen, dat is de kinderpit!’ Me mochten daar niet op trappelen omdat hij ging invallen op de jongens.
Te Zandvoorde (Ieper) is de H. Cornelius beschermheilige tegen convulsies en excessen, te Brielen tegen convulsies, vallende ziekte, beroerten en lamheid. In het nabije Wulvergem helpt ook St.-Machutus tegen de kinderkwalen; daar bestond een folkloristisch gebak, ‘koekieljen’ geheten.
Dat was een wuuvetje, Romanie Breyne, Romtje, Dat was een klein vernukkeld wuuvetje die alzo altijd hele nachten op straat zat. Iedereen was daar benauwd van. Als ze sprak, ze kon niet klappen lijk een ander, dat was lijk ‘albolalbelal’ dat zij zei.
Vader Abt geloofde boer Schoonaert op zijn zeggen. Hij zou morgen een pater zenden. De pater stapte het af naar boer Schoonaerts hof. Niet lang op weg of hij had last in zijn benen. Hij geraakte moeilijk vooruit, zweette en moest het ten lange leste opgeven en weer naar zijn klooster gaan. De volgende dag ging een pater te peerde naar ’t hof. Hij gerochte daar en vertelde ’t einde asem dat het veel moeite gekost hadde. Hij was wel 10 keren bijna van zijn paard gesmeten. Dat moest wel een serieuze zaak zijn bij boer Schoonaert.
Het is uit de noordse godenleer bekend, dat de katten oudtijds een voorname rol speelden: […]
Dat was in ’t jaar tiene dat ik hoorde zeggen dat op Sint-Jan, van ’t Wieltje naar Sint-Julien komende, dat het spookte aan het Kattekerkhof. Als er daar mensen waren die afkwamen, dat ze ossan heel in zweet waren en dat ze nooit geen stap vodder gerochten.
D’heilige Cornelis wierd aanroepen voor de seksies en de zenuwen, ze gingen daarvoor gaan dienen naar Adinkerke en ’t kind moest in de sakristie belezen worden. En met Blasius in ’t begin van kortemaand, ’t stormt dan dikwijls rond die tijd en de mensen die van winden in de buik geplaagd waren gingen gaan dienen naar Blasius-Wasius te Kaaskerke.
Mijn dochter Ivonne is ziek gekomen toen ze zes maanden oud was. Het was bij ons thuis grenswinkel en er kwamen veel mensen o.a. kwam er een oude vrouw, die in de zeventig was en die zei : ‘Maria, ’t is al zo lang dat dat kind ziek is en altijd maar naar de dokter. Weet je wat je moet doen? Je moet dat niet uitstellen. Ga naar de paters naar leper, het is maar dat middel.’
Hoe Hendrik Buen, de heksenmeester van Voormezele, levend verbrand werd in 1597
Je had toen ook overtijd, de heksen waren nogal tamelijk wel vertegenwoordigd op de boerhoven. […]