Hoeveel werd er niet geschreven en verteld over varende vrouwen, ’t is te zeggen spoken of heksen, onder de gedaante van vrouwen, die over de aarde zweven of varen, zo snel en zo zacht, alsof zij de grond niet aanraken. Soms veroorzaakte hun stille vaart draai- en dwarrelwinden, die straten ver meedraaien. Vandaar kregen die draaiwinden, die zand en bladeren al wemelen omhoog drijven, de naam van varende vrouwen.
’t Ware jammer en zonde moest het Manneke, dat nu al jaar en dag zijn goe- en kwawere- ‘maren’ over geheel Vlaanderen rondstrooit, geen paar blaadjes papier over hebben om aan zijn lezers de ‘mare’te doen, dat het entwat gaat schrijven over een bijzondere mare. Ene die maar ’s nachts zichtbaar en doendig is.
Lik toe tante Mathilde, ’t zat e katte olle noene op d’haove deure. Da was e vrimde katte. En op e keje ze koste ’t nie mi verdragen. En ze was bezieg me butter braon, en ze was zo dul. En ze pakt de panne en smiet ze no die katte neur mule. En ’s anderendaags ze gieng en komisje doen en die vrouwe neur aonzichte was verbrand. Je ku peisen da ze verschoot.
Ten oosten van de stad Veurne ligt een straat, sedert al oude tijd bekend als de Rodestraat. Die straat leidt door de weiden naar het Duivenkot, een grote hofstede met kapel, die toebehoorde tot het klooster der predikheren.
Op 20 mei 1596 bevestigde Laureinsekin Tulpen, ‘huysvrauwe’ van Jacques le Maire, ‘cipier ten steene’ onder eed, hoe ghisteren de vrauwe daer Leene woont, commende ter steene verkende dat Leene haer gheholpen hadde van een gheest die haer quelde die ze zeyde dattet haer mans gheest was die haer quam quellen. Zeght voorts dat de zelve vrauwe zegt, dat Leene ordeinairlic upstaet ter middernacht ende gaet ligghen in de veinster altijts alst schoon weder is, ende dat ze zeght dat ze daer alle dinghen ziet, ende dat ze ziet al de stadt over, ende dat ze dat al weet ende dat ze datte al in de lucht ziet…’
Wij vernamen van een overtuigde aflezer de volgende gebeden: Aflezen en afblazen van perels op de ogen, zere vingers, brandwonden, roos, ontstekingen, reumatisme, wonden en kwetsuren.
Dat was meer dan genoeg voor de mannen van leen om met de zaak korte metten te maken. Weldra zagen de mensen voor de Halle de griffier ’ten breteske’ verschijnen en het vonnis werd bekend gemaakt dat Hendrik Beun levend aan een staak zou moeten verbrand worden en dat zijn lichaam door het vuur zou moeten worden teruggebracht tot pulver en as.
Men ziet hier dat de gewoonte van het smijten der katten, veel ouder is als de instelling der jaarmarkten, en dat zij reeds in zwang was lange tijd voor dat de koophandel die eerst bij ruil gebeurde, te Ieper was ingevoerd: het is dan ongegrond te beweren, gelijk het ook meer dan eenmaal gebeurd is, dat de gewoonte tot stand gebracht is geweest om aldaar meer volk aan te trekken, en er hierdoor de handel meer te doen bloeien.
Hoe meer men de geschiedenis van de volkszeden bestudeert, hoe meer men er het heidendom in ziet doorstralen. Het huidig bijgeloof is veelal een overblijfsel van de oude heidense godsdienstige begrippen. Ten bewijze: de bijgelovige landman houdt staande dat de wassende en krimpende maan een verschillende invloed op zijn zaailingen uitwerkt; dat de volle maan aan zijn koorn de laatste rijpte geeft, enz.
’t Nazomerken van Allerheiligen en kan voor den winter niet beveiligen. (De nazomer, of S. Michielszomer.)
Sinte Marlijn | vuer en warme wijn!
De misse van sinte Merten brengt ons den winter dikwils herte.
Aan de watertoren hier in Dikkebus, bij d’hofstee waar dat Verschoore vroeger woonde, waren er daar ruïnen, puinen en kelders van ’t duivelskasteel. Er was daar spokerij. ’s Nachts kwamen er daar duivels. De oude mensen vertelden dat. Dat kasteel was verzonken en er waren alleen nog stenen en puinen.
* Jeuk aan het achterwerk betekent een goed boterjaar.
* In de drek stappen betekent geld.
* Laat de zoutlade niet vallen want dat brengt ongeluk.
Men kapt de bomen bij ’t klimmen van de maan omdat zij niet zouden zweten, alias, om dat ze niet weer in hun sap zouden schieten.
Als de inden duiken, mag men zich aan slecht weer verwachten. Blaaskensregen voorspelt aanhoudende regen.
De regen zal spoedig ophouden, als de kiekens schuilen.
Een boer die ’s nachts voorbij een beek wandelde, hoorde een paard in het water springen. De boer hoorde het paard nog een hele tijd in het water spetteren en vervolgens weer uit de beek komen. Doodsbang voor de waternekker haastte de boer zich naar huis en sloot snel de deur achter zich.
In 1861 was de Brugse bisschop Malou in Ieper en hij kreeg daar enorme buikpijn. Zijn dokter werd er uit Brugge bijgehaald en die verklaarde onomwonden: ‘c’est un homme perdu’. Maar de bisschop gaf het niet zo maar op en stuurde zijn zuster naar Onze-Lieve-Vrouw van Dadizele, waar ze een ‘neuvaine de messes’ liet doen. Ze bracht een lint mee dat het genadebeeld aangeraakt had. De bisschop had dit lint nog maar een uur rond zijn lichaam gedragen of hij voelde zich beter. Drie weken later is hij in staat om in Dadizele een plechtige dankmis op te dragen.
Charel Lerberghe moste nor ’t leger om soldaat te zijn. Dat wos in ’t jor drie. En achter twee, drie dagen otten weg wos, ne wos were thuus enne zei: “’k Kunnen hier ol zowel kreveren of gunter.” En die oeders vroegen an Beselaeres, want ’t wos dor een were van ’t leger die gedon had, om hem were mee te doen nor ’t leger en den deen ed hem were meegedon. Ze wilden ook èn dat dat van Prudence Bergh wos datten hij dor niet wilde bluven want z’had, voor datten deuregoeng, er tegen geklapt en ze zei: “En je moet gij nu nor ’t leger?” en ol zukke dingen.
Volksverhalen uit het oude Zandvoorde
Elke avond die God verleende, wemelde het daar van katten: zwarte en grijze, rosse en bruine. Van heinde en ver zaagt ge al hun ogen gloeien gelijk karbonkels. En iedereen trachtte ’s avonds die Katteput te ontgaan, iedereen haastte zich om daar voor donkeren voorbij te zijn; geen enkele boever zou er nog met zijn paard en zijn kar durven voorbijgaan als het duister ingevallen was.
Vliegende geiten gespot in Beselare
Maar ’s nachts hoorden ze almeteenkeer zo’n leven en de honden basten. ‘Wat is dat, Miel, hoort gij dat niet?’ zei dat vrouwmens tegen haar vent. ‘Bah neen’, zei Miel. Hij hoorde niets. En toen peinsde ze op dat boek en ze ging naar beneden en ze probeerde het te scheuren, maar ze kon niet. En ze heeft het toen in ’t vuur gesmeten, maar het wilde niet branden. Het is helemaal opgeveusd en van als ’t boek opgeveusd was, was ’t gedaan met ’t leven en ze hoorden niets meer.
Gaat naar ’t kerkhof als er de wratten te doen verdwijnen; legt de hand waar de wratten op staan, op den grond en bedekt ze met gewijde aarde. Leest daarna negen weestgegroeten en de wratten gaan weg – Dat heten ze: de wratten begraven.
De naam Bukhoek zal wel ontleend zijn aan het feit dat op die wijk zowel geitebokken, zwijneberen als hondereuen hun dienst deden : zwijneberen had je bij de familie Boone, geitebokken bij de familie Maertens, schuin over Boone, maar dat huis is nu verdwenen en voor goeie rashonden, o.a. Groenendaal, kon je terecht bij de haringpiet Marvaille in de rij van Frik Lajeune, Pierre Djake in het kleine voetwegje dat langs Boones land liep, door een poortje in mijn grootvaders weide belandde en vandaar langs de dischhofstede van Hameeuw óp de Krombeeksteenweg uitkwam, niet ver van Decadts molen.
Toen een vrouw een kindje zou kopen, hoorde men volgende gezegden : Ze is in gezegende toestand, z’ is aan ’t sparen ; er is iets op gang ; z’ is in blijde verwachting ; ze gaan verrijken. Zo de geboorte zou geschieden vóór de negen maanden na het huwelijk, dan hoorde men : “ze hebben een pintje voor de vespers gepakt” ; Z’ is verbrand”.
Dat jaar was ’t een buitengewone harde winter. ’t Begoste te vriezen op Sinte-Cathriene, en Paschen stond voor de deure en ’t vroos nog. Maar nog nooit sedert mensengeheugenis was ’t zo bijtende koud geweest lijk daags voor Kerstdag. In één nacht vroos het happesteerte dikke, en men reed met peerden en wagens over de toegevrozen Colme lijk over een schurevloer.
‘t Was Maandag na kleinen Tuindag (kermis) van den jare 1521. Drie jonge dochters, Magdalena Ghyselin, Lucia Larmeson en Maxima Van den Driessche, uit gebuurzaamheid vereenigd, en door de koelte van den vallenden avond uitgelokt, wandelden langzaam door de stad. In de Tempelstraat gekomen zijnde, ontmoetten sij aldaar een klein peerd, dat zonder leidsman was en scheen te dwalen.
overal op de landkaart van West-Vlaanderen vindt men stukken land die kattekerkhof heten’. Inderdaad, Karel De Flou vermeldt negen gemeenten waar een kattekerkhof ligt (Beselare. Belle, Cassel, Dadizele, Dikkebus, Dranouter, Kemmel (2x), Reninge en Westnieuwkerke). Daarnaast citeert hij een aanzienlijk aantal andere plaatsnamen beginnende met ‘katte-‘, als daar zijn kattebilk, -broucken, -burg, -dijk, -gat, -gemet, -helst, -hoek, -hovekin, -knok, -kot, -kouter, -meersen, -moortelke, -pier, -pit, -plas, -plek, -polder, -put, -stik, -veld, -vliet, -wee, e.a.. De katten hebben welig gewoekerd in onze provincie
In oktober 1348 vroeg Filips VI de medische faculteit van de universiteit van Parijs om […]
De oude Romeinen geloofden voorzeggingen of voortekens van toekomende en geheime voorvallen te kunnen voorspellen uit het vliegen en uit het schreeuwen der vogels. Deze voorspelling werd bij hun augurium, vogelwichelarij, genoemd: de arend, de zwaan, de haan, de ganzen, de hoenders en de gieren waren er de voornaamste voorwerpen van.
Er was daar een hofstede op de baan van Elverdinge naar Vlamertinge, Dat is op ’t gehucht ‘De Seule’ en daar bij is er een grote boerderij die toebehoorde aan de graaf de Lobbepain van Elverdinge. Maar op die hofstede was ’t ook ’t ene ongeluk achter ’t ander. En al de boeren die erop geweest waren, waren uitgeschud. Bij dat ze werkten of niet werkten, dat was altijd de ene tegenslag togen de andere : pest, cholera, onder de beesten. De mensen moesten van ’t hof van de krot. Kwam er een nieuwe pachter, ’t was weer ’t zelfde. De mensen zeien allemaal : ‘Die hofstede is betoverd. Er zit daar een kwade geest in, een heks. ’t Kan niet anders zijn.’
Het gebeurde zo’n 800 jaar terug, in de Zwingeul die Brugge verbond met de zee, op de plek waar later Damme werd gebouwd. In die tijd stonden daar niet meer dan enkele schamele vissershuisjes. Gezellig wonen was het er niet, want af en toe spoelde de zee weer eens met geweld over de weiden en de landerijen. Er moest dus een stevige dijk worden gebouwd en daarom werden uit Holland en Friesland dijkwerkers aangetrokken.