A-t Ons Heere in ’t begin hier de wêreld schiep,
Hêt-ie, binst dat Adam ne keer neere lag en sliep,
Stilleweg een bêtje aan zijn karkas gefrutst,
En haastig ’teerste vrouwmensch in mekaar geprutst.
Free, Bert zien broere en moeder Sofie woonden tegaare ip een klein doeninksche. Drie koeien, een oed peerd, vier hectaren land en een paar hectaren ges.
Van die oude Engelsman met die jonge Française op de trein. De Engelsman zit in de tocht en roept naar de Française ‘Shut that door’. De Française antwoordt gevat: ‘moi aussi mon chéri: je t’ adore’.
Weet je hoe de spiegel ontdekt werd? Luister! Ik heb het vernomen van een oud, oud paterke die er voorzeker niet zou om liegen!
Er komt daar een vrouwe bij den apotheker, en zegt ze: ‘apotheker, ne kilo arseniek voor mijne vent.’ – ‘Arseniek’, zegt den apotheker, ‘maar jong toch! En dan nog voor joene vent!’
Op een dag in mei van het jaar 1784, stapte Jan Victoor, een struise jonge man, door de Koekuitdreef. Hij had de stad Poperinge pas verlaten langs de Pottestraat en was nu in ’t open veld gekomen. Hij ging voorbij de herberg De Koekuit, waar reeds enkele voorbijgangers binnen zaten. Dit volk ging ook naar het klooster van Sint Sixtusbos, waar vandaag de inboedel verkocht werd.
Een zoon kreeg bij de dood van zijn vader een erfdeel van vijf duizend kronen. Daarmee trok hij de wijde wereld in, want hij vond het te nauw op zijn klein geboortedorp.
In de chronike van ’t bisdom van Kamerijck vindt men het volgende zeisel over zekere Boudewijn, grave van Vlaanderen. Vermoedelijk Boudewijn IX vertelt de kroniek. De koning van Vrankrijk, die te dien tijde de machtigste vorst van Europa was, had een dochter met name Beatrix, en hij wrocht met handen en voeten om Boudewijn met haar te doen trouwen.
Het was een Franssprekende priester die op zekere dag de pastoor van Mannekensvere verving en preekte over de schepping van de wereld, de historie van de Paradise (het aards paradijs) en Adam en Eva. Dit is wat hij vertelde.
Daar was ‘ne keer een moeder, en z’hadde twee meiskes, en z’heetten alle twee Karlientje. Tegen ’t eene en zeiden de mensen niet anders als Wit Karlientje, omdat het zo schone was; maar zijn moeder en koste ’t onder heur ogen niet zien, omdat het heur eigen kind niet en was. En ’t andere was Zwart Karlientje bij de mensen, omdat het zo bruin en zo lelijk was; maar, Zwart Karlientje was het liefste gezien van zijn moeder, en ’t kreeg al wat dat ’t wilde.
Ik zal u een vertelderke vertellen, dat ik gehoord heb in mijn jongste jaren, en dat ik nog nievers geboekt en hebbe gevonden; ’t is het vertelderke van Ko Lukkeboone. Luistert:
Juge Mahieu houdt rechtzittinge. De eerste die voor de pinnen komt is Adolf Buysse. ‘Zijt je gij al gestraft geweest?’, vraagt de juge? ‘ e ja ‘k, ‘k hebbe al een jaar bak gedaan’.
‘k En zal noch dag noch jaar noemen, maar hetgeen ik hier vertel, heb ik bij het Vlaamse volk gehoord. Zekere Tisten hield herberg in ‘De Kromme Krinkel’ maar, ik weet niet aan wie of waaraan het loog, de verkoop wat bitter klein. Menigmaal had Ciska de bazin daarover haar beklag gemaakt aan de weinig klanten, die nog van tijd tot tijd in ‘De Kromme Krinkel’ hun dorst kwamen lessen: maar het was allemaal boter aan de galg, niets een baatte.
‘Het waren twee jongmans in de kleine stad en ze geraakten om de duivel niet getrouwd. Had er één van de twee ’t herte gevoerd. de tweede had ’t hem nagedaan; – één moest beginnen maar ze wisten niet dewelke.
Daar was ‘ne keer ‘nen oude pastoor die een maarte huurde; en als ze bij hem inkwam, zei heur de pastoor: ‘Gaat ge ’t hier kunnen gewone worden, peist ge, Triene?’
Een oud wijf dat hout ging rapen, ontmoette onderweg een klein jongske.
— Kom met mij mee, sprak zij, ik heb veel koeken en veel speelgoed.
In plaats van voorts hout te rapen, laadde zij het kind in een zak op haar rug en trok er mee huiswaarts.
Bulte Wollekens had een ijselijk grote bulte op zijn rugge. Het was ‘ne fijne vioolspeelder, en hij ging alle avonden gaan spelen naar den buiten in d’herbergen, waar dat er iets te doen was, en hij keerde altijd met de dikke beurze weêre naar huis.
Het is algemeen gekend en geweten, dat katten en honden zelden of nooit overeenkomen: van daar zelfs de volksspreuk: ‘ze komen overeen als katten en honden’, die ongelukkiglijk zo dikwijls met reden toegepast wordt op mensen.
Hoeveel werd er niet geschreven en verteld over varende vrouwen, ’t is te zeggen spoken of heksen, onder de gedaante van vrouwen, die over de aarde zweven of varen, zo snel en zo zacht, alsof zij de grond niet aanraken. Soms veroorzaakte hun stille vaart draai- en dwarrelwinden, die straten ver meedraaien. Vandaar kregen die draaiwinden, die zand en bladeren al wemelen omhoog drijven, de naam van varende vrouwen.
‘Ik heb een heel aardig wijf’, zei Marus.
Zijn eigenlijke naam was Sissen Voorde; hij kwam ter wereld op Passendale, binst een gruwelijke dondervlaag en hij kreeg al wijwater van eer hij gedoopt werd, wijl ’t kraakte buiten, dat het daverde. – Louize, zei Warden Voorde aan z’n wijf, we zullen ’t nooit vergeten, dat we vandaag onzen kadet indeden.
Waar dat Mauprez daar woont, ’t was ’s avonds, je ging daar binnen. Je vroeg als de boer thuis was. ‘Jaa’j, zei de boerinne. ‘Weet je gij dat je schoonzeune dood is?’ vroeg Pollet.
Karel den Draaier Trezige uit de Kaffiereke was al veertig jaar weeuwe van Karel en ’ten had nog nooit in haar zin gekomen van te hertrouwen, en lijk of dat er niets eeuwig duurt, de dag kwam dat ze dood ging.
De bolling der kermisweek heeft nog al tal liefhebbers naar stad aangelokt en voorzeker een schoon profijt bijgebracht oor al de herbergiers der Duinkerkstraat. Om 3 ure waren er omtrent 1200 ingeschrevenen. De bolling opgeluisterd door eenige leden van het stadsmuziek, heeft veel bijval genoten. Van tijd tot tijd kwam wel eene duchtige regenvlaag de bolders verfrisschen, maar deze zagen er nooit voor om.
Anno 1669, op de woensdag in de kattenfeeste, isser binnen Ypre, een seer kluchtig geval gebeurd, in het smijten der katte. Daar was op dien dag een man van Belle gekomen met name Lucas Longersprey, in de wandeling genoemd ‘kaasbolle’.
‘Hie zé’, antwoordt den docteur; ‘alle ure een lepel, maar wel opletten van hem te schudden voor te nemen’. ‘Goed, meneere, zei Mitje’.
Mijn vader, die een bakker was, en zijn hond Bobby, die aan de triporteur hielp trekken, hebben in hun leven veel moeten doen om aan hun brood te komen. Bobby at per dag meer dan een half brood: drie, vier sneden van twee vingers dik, die in zijn pateel; dat aan ’t kot stond, gebrokkeld werden. Daarnaast stond zijn teil met water, van hetzelfde pompwater dat mijn vader voor zijn gezondheid elke morgen dronk op zijn nuchtere maag en waarvan hij zei: zo helder als kristal.
De kapelaan had met veel devotie zijn zesurenmis opgedragen en naar loffelijke gewoonte zette hij […]
In dezelfde stad Ypre stond er ten jare 1520, aen de zuidzyde der groote markt, eene herberg waer men den Engel zag uitsteken. De waerdin heette Elisabeth Quaedjonck, bygenaemd kwaé ‚ Bette, uit oorzaek der onbeleefdheid waermede zy hare gasten onthaelde. En des niet tegenstaende was het volk als betinteld om in den Engel te gaen drinken en logeeren.