«Zé», zei Modesta, «dat moet en zal hier gedaan zijn op ’t hof; ’t weet hier van geen uitscheiden: de ene tegenslag na den anderen, eerst met de zwijns en dan met de koeibeesten. Cesarke, » zei ze tot ’t poesterke, «we gaan een van die dagen op beevaart naar Deizel», «Gaan dienen?» vroeg Cesarke. «En moet ik mee? Te voete? ’t Is meer of vier uren verre van Staên: viere deure en viere were! ‘k Zeggen maar dadde ! Goed om stijve kieten op te doene en de voeten vol blazen.»
Een dokter werd bij een dame geroepen die plots erg ziek was geworden en hij deed haar grondig verhoor ondergaan over de aard van haar kwaal. Ook vroeg hij haar wat ze voelde toen de aanval begon.
Daar was ‘ne keer een kleen meiske, dat aleene met zijne moeder woonde. Het was zoodanig geern gezien van zijn moeder, dat het van heur een schoon rood kapke kreeg. En het meiske droeg altijd dat kapke en ’t en wierd daarom niet anders meer genoemd of Rookapke.
’t Vertellement van reuze Rolarius en vuile Sjarlotte Geleerde bollen en wijsneuzen zeggen dat de name Roeselare betekent: wiegewaggend riet in een open plekke in ’t bos.
‘k Peize dat ze ’t bij ’t rechte ende hebben, want zo zag er die streke uit, vele eeuwen geleden. En in dat waaiende rietveld langs de brede Mandel bouwt de reuze Roelaar een groot kasteel, en is here en meester over Roeselare en heel de streke rondom. De boeren moeten hem tarwebroden leveren en de schippers op de Mandel betalen hun contributie met wijn en mede.
En de kraaie, preus lik viêrtig, gink ’n hitje rechter zitten ip euren tak en ze’n a ’t nog nie in de mot dat ’t voske ip de skuum gekommen wa. Ze wiste wel, da ’t ne liêlike, liêpe potter wa, ma je kostege ’t zo skoone zeggen, dasse’r gin dink in en a, dattie eur liêlik an ’t arranzeren was. En ’t lag zuste ip ’t puntje van zijn tonge om te zeggen : Kraaie, ‘k zie u toch zo gêren, ‘k zou u kennen ipeten. Ma j’a ’t nog ziêre ingeslik, want da gink te skurdig zijn.
Mijnheer de pastoor, dit kruis heb ik over vele jaren hier ook weggehaald; ik breng het naar de kerk terug
Op een drietal steenworpen van onze peurplekke stond er een oude herberge, de Gapaard. Iedere keer dat we kwamen visen ging hij in zeven haasten een pot pakken. Potten pakken kost geld. En bij hem thuis waren ze hondegierig. Ze hadden voor zonelief wel een vislijne gekocht, omdat ze van mijn thuis wisten dat we met vele en lekkere vis naar huis kwamen, maar zijn ‘permis’ om te vissen moest Thomas van zijn drinkgeld betalen.
‘k Ga er nog entwad van krijgen. Er begonnen ten andere al rare dromen van te komen, of beter gezeid; altijd dezelfde droom, nachten en nachten achter malkaar altijd dezelfden. leder kere zat er- een kaboetertje mij te embeteren op een van mijn schoenen. ‘k Liet het eerst in zijn wezen, maar op een ende kon ik het tochniet meer eerden en sloeg ik er achter gelijk achter een zwerm vliegen. Maar ’t was rap gélijk een duveltje: sloeg ik net weg van mijn linkerschoere, als de weerlicht zat het op mijn rechterschoere, en alzo moeste ik altijd maar weg en were slaan totdat ik in schuim en zweet stond. ‘k Peinsde dat ik er zot ging van worden.
De omstaanders schudden eerst van ’t lachen bij ’t zien van die opengesperde mondholte. waarin ’t witte ivoor bleef steken als een ei halfwege ’t gat van een henne. Ze proestten het uit bij ’t horen van de wauwelende geluiden die vruchteloos trachtten entwat verstaanbaars van achter de dichte versperring naar voren te brengen. Maar de lol koelde alras af. De gezwollen kop sloeg rood en daarna schorteblauw uit. Naten snakte naar asem. Zijn twee dunste vingers koterden naar binnen om greep te krijgen.
Er was nen keer, in den goeden ouden tijd, ’n klein en olijk leurderke dat zodanig kleine was dat zijn vader hem Jantje Bubbels noemde. Het was de beste mostaardventer van de streke, ’t kost klappen lijk nen advokaat en ’t wierd overal zachte neergezet als het zijn ronde deed met zijn kliksgies goudgelen Engelsen mostaard.
’t Zag er droevig uit in ’t huisje. Vader was zoo even binnen gekomen al […]
’t Is grootvader die vertelt. ‘k Zie hem daar nog zitten, in zijn leunstoel, op ‘nen avond, dat de wind buiten bulderde en dat de sneeuw stormde over de daken en dat de wind schuifelde in de kave, bij oogenblikken, dat ge zoudt gezeid hebben, al wist ge nog zoo goed dat hel niet zijn ’n kon, dat er een kattejacht aan den gang was, daar boven ievers, vijf, zes voet boven den heerd, zoo leelijk scheurde die schruwel, bij wijlen, door den schoorsteen dat het sneed tot in het merg van uw beenderen!
Geheel het hoekig, gekapt wezen kwam te stuurder en te koppiger uit, doordien het voorhoofd in de muts verdween tot aan de oogen, die brandden onder de verstreuvelde winkbrauwen, met lang, wit koeihaar bezet. Anders was Seven altijd glad geschoren; geen haartje op geheel dat Bretoensch wezen, uitgezonderd in den neus en de ooren, alwaar de witte krullen in futsel uitboorden.
Wie zou er aan doodgaan peizen, als men zoo gelukkig is, zoo tevreden en met hetgeen men is en heeft, zoo bedorven in zijn eigen gedoente, ongemarteld van de menschen en weeldig van gezonden kost: ’s morgens, zuiver terwebrood met boter bedaan en daarmee geurende ‘k zal-u-gaan-hebben van koffie; ten acht ure, nog eens klijfen terwe-brood, dikke met smout bespreid; ’s noens, ferme kernemelkpap en pataters met vele papsopsaus; ten vier ure, al naar gelang de getijden, een stuk gezoden vleesch, of fruit, of andere mikmak, en, ’s avonds, voor de afwisseling, pataters en pap.
De naam Bukhoek zal wel ontleend zijn aan het feit dat op die wijk zowel geitebokken, zwijneberen als hondereuen hun dienst deden : zwijneberen had je bij de familie Boone, geitebokken bij de familie Maertens, schuin over Boone, maar dat huis is nu verdwenen en voor goeie rashonden, o.a. Groenendaal, kon je terecht bij de haringpiet Marvaille in de rij van Frik Lajeune, Pierre Djake in het kleine voetwegje dat langs Boones land liep, door een poortje in mijn grootvaders weide belandde en vandaar langs de dischhofstede van Hameeuw óp de Krombeeksteenweg uitkwam, niet ver van Decadts molen.
Alover het witbedoomde veld, dat nog stil te togen lag in den ongestoorden vrede van de nachtelijke rust, ontglipte in het Oosten, de teere klaarheid en de verlangende blijheid van den nieuwen zomerdag. Ginder, Westwaarts, hier, daar, alom en door de landerijen, stonden de machtige boomen onberoerbaar, nog onduidelijk in hun vormen, hoog, op de bijna-onzichtbare stammen; de zware kroonen van de oude populieren hingen donker in de nog-donkere lucht, als dreigende gevaarten boven het blakke veld, dat blekkend uitsloeg aldoor de donkerte, die uit de hoogte viel. Daar zat het nieuwe leven nog niet; daar bleef nog de stramheid en de stijfheid van de dood met hare tastbare geruchteloosheid en hare droeve somberheid.
Fluppe was juist de oude van den populiereboom nevens zijn huizekotje, én, die was een kerel! Ge moet, weten, Fluppe’s vader had een plantsoen op zijn eigendom geplant juist den dag van Fluppe’s geboorte, én:
– ‘k Weet ’s wonder, wie er langst zal leven, mijn boom of mijn jongen, zei hij tegen Wieze, zijn wijf.
– Dat boomtje vliegt uit, al wij willen, loechWieze, maar ons jongentjes leven is in Gods handen.
– Alla, zei de Eerwaarde. En ze duwde op ’t elektrische belleke. Een potje koffie zal ons deugd doen en een koekestuutje met korenten. Peegie is op bezoek in het nonnenklooster.
– Me gaan naar ’t klooster, zei Tanite. en ze zette haar hoedje recht, verstak een speld of vier in haar chignon. Geen druppels aanveirden weie!.En de koeken respecteren! Ge moet were doen voor up, gelijk de laatste keer.
Les in het Bargoens voor Peegie Intussen doceerden Sissen en Tarzan aan Peegie het Bargoens. […]
Zillebeke Te Zillebeke is de kiezing teenemaal uitgevallen ten voordeele der bewarende partij. Baron de […]
Daar waar de baan Poperinge-Boeschepe de grens oversteekt, hebben wij een eigenaardig gehucht, verre en nâar gekend onder de naam ‘Den Groten Onzen Heer’. De vier hoeken van die kruisstraat zijn volgebouwd met huizen, waaronder menige herberg en winkel, met opschriften boven deuren en vensters, om de voorbijgangers in te lichten en vriendelijk aan te lokken.
Na het bewaarschoolke vertrok Peegie naar het eerste studiejaar. Zuster Pacifique leidde met veel behendigheid die bengels langs de wegen van de Paedagogie. Zij was haar naam meer dan waardig en genoot de sympathie van haar jeugdig auditorium. De zuster bleef in nauw contact met de leerlingen en lokte vragen en antwoorden uit. zodat hun jeugdig verstand onophoudend werkzaam bleef.
‘t Was Maandag na kleinen Tuindag (kermis) van den jare 1521. Drie jonge dochters, Magdalena Ghyselin, Lucia Larmeson en Maxima Van den Driessche, uit gebuurzaamheid vereenigd, en door de koelte van den vallenden avond uitgelokt, wandelden langzaam door de stad. In de Tempelstraat gekomen zijnde, ontmoetten sij aldaar een klein peerd, dat zonder leidsman was en scheen te dwalen.
– Zeg docteurke, vanwaar kommen de kindjies nu eigentlijk?
De Dokter krabde eens duchtig in zijn dikke krullebolle.
– Ba, zei hij, in de vaart komt er zo nu en dan ’n schip kinders toe. lederen dokteur krijgt er zijn part van. We leggen ze dan goed ingeduffeld in onzen kelder en bestellen ze aan de mensen die er geld genoeg voor geven. De kindjes zijn duur den dag van vandaag en de vraag te Roeselare tamelijk groot.
– En hèè je da nog dikkers ten uptelle?
– Ba! dat zou gebeuren.
– Zeg docteurke. mag ik nekeer kommen kijken naar joenen kelder?
– Kom maar af, maar ‘k en ben niet altijd thuis zulle.
– ’t Mishandt niet, riep Peegie achterna. Zou je geen verkopen aan den inkoopprijs?
– M’en heen geen solden, mannegie! En de dokter verdween.
Het was een plezante tijd te Roeselare wanneer de leurders met verse vis en verse […]
Sinds weken bereidde zich het diepgelovige Roeselare voor op het groot hoogfeest van Kerstdag. Boomplanters en bloemenverkopers pintten de markt met sparren en dennen, en voor hun drempel herschiepen de bloemisten het pad in een klein dennenbos. Als uit de hoorn des overvloeds goten dc winkeliers hun étalages vol sterrekens, zilverdraad, schitterende ballonnekens en pinkelende sneeuwwattcn.
Het was een plezier om Peegie te zien opgroeien. In ’t begin lag het gehele naehten te kriepen en te tuiten. Tanite wilde dat Pee uit zijn bed kroop en er mee rondwandelde al zingend, tot het was ingedut, maar Pee zei: – ‘k Hee der affairens mee! ’t Ga wel vantzelfs zwijgen ols ’t moe getuit is. Daarbij ’t moet n bitjie leren zijn stembanden oefenen… – G’ en heet geen herte gie, zeurde Tanite. maar ze bleef ook liggen en zo kwam het dat Peegie het schreien moe werd, ’t was toch niets gekort.
Het was op een stemmige septemberavond dat het Mevrouw Tanite behaagde ter wereld te brengen in al zijn glorie: zonder haar, zonder tanden, zonder fatsoen en al lelijk doen ” Peegie” (uitgesproken ‘peejgie’) van de Nieuwmarkt, een raseehte en waardige afstammeling van Cyper, stamvader dezer vroede gemeente.
Te Diksmuide zei niemand de Ijzer, men zei gewoonweg de vaart. Er lag maar één brugge, d’ Hoge brugge, en de kalsie zakte e’ beetje af naar de Lindetjes. Al de ene kant van de Lindetjes stond de reke huizen van meulnare Smet ‘d’Acht Zaligheden’ en al de andere kant stond er een houten pompe. Daar bachten lagen de weiden met een eindelijke grote wal, ‘de pompepit’, waar dat ze ’s winters kwamen schaverdijnen. Wat verder lag de ‘Persewee’ van Bastiaan; de koninklijke gilde van Sint-Sebastiaan was aan de katlieke partij en ze zongen: ‘Sebastiaan, Sebastiaan, dat gild zal nooit vergaan’. De liberale perse, Willem Tell, lag langs de Woumen kalsie’.