Wie zou er aan doodgaan peizen, als men zoo gelukkig is, zoo tevreden en met hetgeen men is en heeft, zoo bedorven in zijn eigen gedoente, ongemarteld van de menschen en weeldig van gezonden kost: ’s morgens, zuiver terwebrood met boter bedaan en daarmee geurende ‘k zal-u-gaan-hebben van koffie; ten acht ure, nog eens klijfen terwe-brood, dikke met smout bespreid; ’s noens, ferme kernemelkpap en pataters met vele papsopsaus; ten vier ure, al naar gelang de getijden, een stuk gezoden vleesch, of fruit, of andere mikmak, en, ’s avonds, voor de afwisseling, pataters en pap.
’t Lag er vervallen, het klein, verpieterd koeiegedoentje, diep in het veld en afgezonderd, met een slag die van den steenweg naar het hofgat liep, ver af van andere woningen, lijk een verlatenisse.
Hurkske-tegen-d’eerde stond het woonhuis, armoedig in zijn versletene karkas, met twee vensterkens, waarin kleine groene ruitjes; in ’t midden de deur, in rauw versleten eiken hout, zonder appel, doch met een koordeke door een holleke aan de klinke vast al binnen, zoodat, met een trek aan het koordeke, de klink ophief en de deur openging.
Kemelrugde was het strooien dak, vol hoogten en leegten, donkerblond van te tjolen al den zonnekant, bij plaatsen bijkans zwart en groenbemost op de schaduwzijden. In ’t midden van de kappe, de eenlijke schouwpijp, en, al weerkanten, tegen het puntig uiteinde van de gevels, een groote futsel donderblare in vollen groei.
Zooals het gedoentje er stond en lag, zoo was het er zeker van inder eeuwigheid; boomen en doornhagen, gebouwen en land, alles was er aan en in vergroeid; ’t was altijd zoo geweest; ’t bleef en ’t moest zoo blijven. Nog nooit was het in iemands gedacht gekomen, dat er daar entwat kon aan veranderen, dat er een strooi door menschenhanden kon aan verwerd worden.
Hitte en koude hadden er in gebeten; de sneeuw had er op gewogen, de regen was er op gekletst; de wind had er op gebeukt, en, uitgezonderd een weêrhaak te meer in ’t strooien dak en een tak te min op den oude perelaar, bij de pompe, voor de deur, bleef het in zijneg gewone algeheelheide, zijn zalige rust en zijn vrome afgezonderdheid; klein envernepen, oud lijk de Heilige Kerke, armtierig, doch sterk lijk een rotse, onschendbaar en zot-aantrekkelijk.
Zooals de kooi was, zoo waren de vogels : Euphrasie, Manten en Wieten. Zooals Euphrasie en Manten waren, zoo hadden de oude menschen die gekend in hun kinderjaren en zoo waren ze gebleven. Simpellijk een beetje grijzer van kop en een beetje meer naar het werk vergroeid.
Hoe lang Manten bij zijn meesteresse inwoonde, wist er eigenlijk niemand op de streek met juistheid te zeggen, noch ze dachten er aan om het te onderzoeken. Euphrasie en Manten en de perelaar en de doornhaag, de pompe en de schuur en het huis, dat miek een geheel onafscheidbaar in het vizioen van de buren, als hadde geheel dien boel er op één stond samen geschapen en gebouwd en ontstaan geweest van overlang, in onheugelijke tijden.
De oude dochter werd op geheel de streek Euphrasie-van- ’t doeningske genoemd; de oude knecht was Manten-van-Euphrasies, en, met den dag dat Wieten er ging inwonen, werd hij ook Wieten-van-Euphrasies.
Die drie mieken het huisgezin uit: winter, zomer, na het avondmaal, fokten ze lijk een drievuldigheid rond den heerd en gingen ze op hetzelfde ogenblik slapen, om ’s anderendaags gelijktijdig op te staan en weêrom te doen lijk daags te voren, eeuwig en ervig.
Wie zou er aan doodgaan peizen, als men zoo gelukkig is, zoo tevreden en met hetgeen men is en heeft, zoo bedorven in zijn eigen gedoente, ongemarteld van de menschen en weeldig van gezonden kost: ’s morgens, zuiver terwebrood met boter bedaan en daarmee geurende ‘k zal-u-gaan-hebben van koffie; ten acht ure, nog eens klijfen terwe-brood, dikke met smout bespreid; ’s noens, ferme kernemelkpap en pataters met vele papsopsaus; ten vier ure, al naar gelang de getijden, een stuk gezoden vleesch, of fruit, of andere mikmak, en, ’s avonds, voor de afwisseling, pataters en pap.
Zoo, ge ziet, gezonde kost, kloeke kost, kost om te doorhouden, berenkost, kost om door de pooten niet te vallen. Wie zou d’r op de pooten niet blijven met zulken kost! Wie zou d’r op ziek zijn peizen en doodgaan? De perelaar en de pompe daarbuiten bleven wel gave en gezond. En ook, te verlaan tijd!
Pertank, op een katievigen morgen – Euphrasie zou het ’s levens nooit vergeten – bleef Wieten liggen zoo lang hij was, platsderme, te klagen en te stenen, met de koorts, lijk een peerd koorts heeft.
– Och, God! Manten, Wietje is zoo ziek, kermde Euphrasie.
– En zoo al met één keer, enéé, deed Manten bekommerd.
– En zoo stif, Manten, kropte Euphrasie.
– ‘k Zie ’t er ook voor, zei Manten, maar ’t zal wel passeeren… Geef hem siropepap.
Manten vertrok naar zijn bezigheden en Euphrasie bleef alleen in het huis met al haar werk en den zieken Wieten.
Wieten wilde noch nat noch droog, noch zuur, noch zoet. Hij lag met de oogen toe, stil te kreunen, lijk een deerlijk kind.
– En ‘k sta hier moedermensen alleen. En wat moet ik aanvangen? ‘k Sta hier lijk verlamd, zuchtte Euphrasie. Ze ging tot bij Wieten en streelde zijn koude slapen met haar lange, magere vingers.
– Wietje! snikte ze.
Wieten deed één oog open en bezag zijn meesteresse met een blik – Euphrasie zou dien blik nooit vergeten – met een blik, zoo vol liefde, als de zee wijd en diep is; dan sloot hij klagend de opene scheel en strekte hem uit.
Och! Maria, gilde Euphrasie. Met één schok zat ze geknield, doch even ras schoot recht, luidop kermend.
– Wietje, verlaat mij niet! Wietje, blijf bij ons! Metéén vloog ze naar buiten, pakte er twee groote rapen, waarin ze met een tafelmes putjes boorde; in ieder van die twee rapen stak ze een brandende keerse, knielde er tusschen en viel den Hemel lastig om verlossing voor Wieten. Ze greep ook haar groot kerkeboek met verguld snee en ze bad luidop de litanie van alle Heiligen.
Mie-n-wie! kreunde Wieten.
Euphrasie sprong op lijk een wilde; ze knabbelde een beetje brood en suiker dooréén en futselde het gemalene mompke tusschen Wieten’s knarsende tanden.
Mie-ie! kloeg Wieten een laatste keer; hij strekte hem uit en rilde; ’t ronkte een oogenblik en ’t rilde nog wat door-end-door zijn lijf; haar mond loste de lastige snikken, die haar bijkans versmachteen; haar oogen stonden rekkewijd open, staal en vol alteratie,en, al op één stond kwam het haar aan; ze sprong lijk een zotte het huis uit, vloog aldoor het hofgat tot op de oude klaverije en daar moorelde ze:
– Manten! Och Manten, toch: De’n hond is dood.
Wieten van Euphrasies was dood.
Warden Ooms (Edward Vermeulen) in ‘Grepen uit aardig menschenleven’.


