1 juli 1302. Jacques de Châtillon is natuurlijk gaan uithuilen in Frankrijk over de ongehoorde schande die de Vlamingen hem hebben aangedaan. De tijdingen over de Vlaamse beweging verwekken een extreme ergernis bij de Franse koning die nu elke gematigdheid verliest. Filips de Schone mobiliseert een groot Frans leger rond Atrecht en stelt de mannen onder het bevel van Robrecht van Artesië.
Hij wordt daarbij zeker gepusht door zijn hautaine ega, koningin Johanna van Navarra die aanstuurt op een bloedige wraak. Die Robrecht van Artesië blijkt haar oom te zijn en haar opdracht aan hem laat aan onduidelijkheid niets te wensen over: ‘ga en neem wraak op dat Vlaams leger, laat die oproerlingen duizenden doden sterven, ruk de Vlaamse zeugen hun borsten af, rijg de jonge varkens aan het spit en sla de Vlaamse honden dood!’
Na die verschrikkelijke opdracht beginnen de Fransen aan hun veldtocht richting Vlaanderen. 10.000 ruiters, 10.000 boogschutters en 40.000 speerknechten zijn op weg om ons land in het bloed te komen verstikken.
In Kortrijk groeit het leger van de Vlamingen ondertussen uit tot een leger van 60.000 manschappen, vooral boeren en ambachtslieden die feitelijk nog nooit van hun leven wapens gehanteerd hebben. Sommige geschiedschrijvers minimaliseren het Vlaams leger bij Kortrijk, volgens de Brugse kronieken is dit onmogelijk als men bedenkt dat er alleen al tijdens de Brugse Metten al 7.000 Bruggelingen actief waren.
Ietwat zuidelijker manifesteren de Fransen zich al aan onze grenzen. Overal waar dit leger zijn voet zet veranderen de bloeiendste oorden in woestijnen. Geen huis, kasteel of klooster blijft nog overeind. De hoofden van de heiligenbeelden langs de wegen en in de kerken worden overal afgeslagen. De kerksieraden geroofd, de heiligdommen met de voeten getreden.
De Vlamingen die in Franse handen vallen mogen het vergeten. Dat is zeker ook het geval voor vrouwen en kinderen. Ze worden allen vreselijk afgeslacht. De gangen van de kloosters, de vloeren van de kapellen zijn bezaaid met de lijken van de monniken, voor de altaren van de vrouwenkloosters worden de nonnen onteerd. De Franse soldaten sjorren sprokkelhout aan hun lansen en gebruiken die brandende bezems nu om overal in de velden en de bossen de oogsten te vernielen en de bomen tot as te verteren. De Franse woede beperkt zich niet tot het voetvolk.
Nagenoeg al de adellijke geslachten van Frankrijk hebben zich aangesloten bij het leger van Robrecht van Artesië. Tot overmaat van ramp voor de Vlamingen hebben 6.000 Henegouwse soldaten van graaf Jan van Avesnes zich bij de leliaardtroepen aangesloten. De leliaards in Gent, Oudenaarde en op andere plaatsen proberen van hun kant natuurlijk om stokken in de wielen van de klauwaards te steken maar ze kunnen hoegenaamd niet op tegen de geestdrift, de ijver en de opoffering die de Vlaamsgezinden tentoonspreiden. De kreet ’te wapen, te wapen’ weerklinkt van de Nieuwe Gracht tot aan de Hont en wordt overal herhaald door elke Vlaamsgezinde patriot. Al de standen sluiten zich aan bij het verzet.
De Vlamingen krijgen ook gehoor in Duitse hoek, de Germanen kunnen de aanmatigende houding van de Walen en de Fransen maar matig appreciëren en schieten hun stamgenoten ter hulp. Vanuit het noorden snellen Jan van Renesse en andere Hollandse ridders toe om de ambities die het Henegouwse geslacht koestert in Zeeland in de kiem te smoren. Bij de Hollanders bevindt zich eveneens Hugo Botterman van Arkel, genoemd ‘Butter’, een beer van een vent die best te vergelijken is met Jan Breydel.
Hoewel 50 Vlaamse edelen in Frankrijk gevangen zitten en dat anderen de kant van de leliaards hebben gekozen en zich als snoodaards achter Robrecht van Artesië scharen, staat de gemeentebevolking die de basis uitmaakt van het Vlaams leger niet alleen. De Zevekotes, Zomergems, Waesberges, Maldegems, Deinzes, Zeverens, Airhoves, Aarseles, Dacknams, Landegems, Vorselaars, Baeldes, Meulebekes, Moeres en veel andere edele geslachten zijn vertegenwoordigd in het leger van Gwijde van Namen. Willem van Saaftinge, als lekenbroeder opgenomen in de abdij van ter Doest meent dat hij niet kan achterblijven.
Monnikspij of niet. Hij neemt twee paarden uit de stal, rijdt ermee naar Brugge, verkoopt één ervan en koopt met de opbrengst de nodige wapenuitrusting. Daarmee zal hij deelnemen aan de vrijheidskamp. Die wapenuitrusting is trouwens summier: een zwaard en een goedendag. Later in de strijd zal hij tonen hoe verdomd handig hij daarmee weet om te springen. Het beoefenen van wapens wordt door de Vlamingen trouwens hoog in eer gehouden. De stedelingen behoren wel allemaal tot een of andere gilde waar ze zich van jongs af aan vervolmaken met het hanteren van slingers, kruisbogen, zwaarden, pieken, morgensterren en goedendags.
De Vlamingen vernemen dat Robrecht van Artesië de strijd wil openen door eerst en vooral het kasteel van Kortrijk te ontzetten. De Vlamingen kiezen de omgeving van Groeninge aan de Leie als hun verzamelplaats. Het terrein biedt alleen maar voordelen. Achteraan beveiligd door de Leie, vooraan en links zijn er diepe grachten gegraven die nu bedekt zijn met zoden en takken. De rechterflank is ook al helemaal verschanst. Gwijde van Namen heeft het opperbevel over het leger aanvaard en roept al zijn troepen naar Groeninge.
Willem van Gulik breekt zijn beleg van Cassel op en haast zich naar Kortrijk. De Bruggelingen rukken op onder de leiding van Pieter de Coninck en Jan Breydel, de mannen van Veurne melden zich onder het bevel van Eustachius Sporkin, die van Aalst onder Dirk en Boudewijn van Papenrode. Gent bevindt zich in de Franse invloedssfeer maar desondanks stomen 5.000 Gentenaars op onder leiding van Jan Borluut. Arnold van Oudenaarde is ook van de partij hoewel zijn vader op dat moment in Frankrijk gevangengehouden wordt.
10 juli 1302. Het Frans leger komt in het zicht van de Vlamingen. Die zullen vermoedelijk wel naar adem happen. Veruit het schoonste leger dat Filips de Schone ooit te velde bracht. Over de berg van Weelde, de Pottelberg tussen de Leie en de weg naar Zwevegem breidt het zich in brede drommen uit terwijl de soldaten zich klaarmaken om de Vlamingen te vernietigen.
Voor de Fransen is het nu al een uitgemaakte zaak dat ze die bende wevers, beenhouwers en brouwers weldra in de pan zullen hakken. Aan Vlaamse kant verschansen de Vlamingen zich achter de Groeningebeek. Hun priesters zegenen de troepen en zwaaien met hun heilig sacrament als ultieme wapen. Volgens de kroniekschrijvers mankeert het ook hier niet aan geestdrift. Van kleine hartjes wordt er niet gesproken. Breydel & de Coninck krijgen alvast hun beloning voor bewezen diensten. Ze worden door Gwijde van Namen ter plekke tot ridder geslagen. Kluiten Kortrijkse grond krijgen kussen en knuffels: op deze vaderlandse grond zullen ze zegevieren of het leven laten.
11 juli 1302. Bij het eerste ochtendlicht laat Robrecht van Artesië zijn leger oprukken. De Vlamingen staan dan al in slagorde langs de vier meter brede Groeningebeek. Gwijde van Namen voert het bevel over de linkervleugel waar onder andere die van Veurne en de leden van de kleine Brugse gilden de dienst uitmaken. Centraal staan de Gentenaars van Jan Borluut met naast zich de Brugse wevers en de Vrijlaten onder Willem van Gulik. De rechtervleugel aan de kant van de Kortrijkse wallen staat onder leiding van Jan van Renesse die kan rekenen op een leger van Zeeuwse ballingen en de Brugse beenhouwers. De meeste edelen positioneren zich tussen de gelederen op plekken waar ze denken een toegevoegde waarde te kunnen bieden.
De lucht oogt somber, een dikke mist hangt over de vlakte waar straks de strijd zal losbarsten. ‘De hemel is met ons’, roept Gwijde van Namen, ‘we zullen geen last hebben van de zon, zo zullen we gemakkelijker kunnen winnen.’ En dan is het eindelijk zo ver. Robrecht van Artesië geeft het teken van de aanval. De Italiaanse boogschutters die aangetrokken werden door Filips de Schone trekken op tegen hun Vlaamse collega’s. Die vormen de voorhoede aan de Mosscherbeek en staan onder het bevel van Salomo van Zevekote.
Het Franse chauvinisme komt al direct naar boven als een Franse ridder bij zijn legerleiding protesteert dat het toch wel godgeklaagd is dat de Italianen met de pluimen zullen gaan lopen. Robrecht van Artesië kan niet veel anders dan ook de Franse ruiters in het veld te sturen. Dwaas natuurlijk want hun paarden verpletteren de Italiaanse schutters nog voor ze aan hun werk kunnen beginnen. De Vlaamse voorhoede trekt zich al onmiddellijk terug tot achter de Groeningebeek, de Franse ruiters worden door hun paarden meegesleurd, storten in de beek die zich vult met hun lijken.
De berg dode lichamen transformeert zich al gauw tot een soort pad voor het gros van de ruiters. Het ziet er helemaal niet goed uit voor de Vlamingen. Een uitval van de bezetters uit het kasteel van Kortrijk brengt nog meer angst bij de klauwaards.
Maar de gildebroeders van Brugge en Gent staan zo vast als muren. Ze vormen allen samen een hechte en aaneengesloten dam tegen de prachtig uitgedoste Franse ruiters. Nadat ze de grootste Franse driftkikkers in het stof hebben doen bijten rukken ze op hun beurt vooruit. Hun goedendags vallen en dreunen verpletterend op de lichamen van de ruiters en de voetknechten.
De strijdt ontaardt in een lijf-aan-lijf gevecht. Robrecht van Artesië moet op een bepaald moment ingrijpen om zijn broer te ontzetten en hij stort zich in het midden van de strijders. Hij springt van zijn strijdros en verscheurt de Vlaamse standaard. Maar hij had dit beter niet gedaan want op dat moment bezorgt Willem van Saaftinge, de dappere lekenbroeder van Ter Doest hem een kanjer van een knotsslag op de borst.
Er zal vermoedelijk wel geen kroniek bestaan die dat illuster en symbolisch gevecht aan de Groeningebeek niet met veel ijver zal geromantiseerd en bijgekleurd hebben. Ik schrijf alleen maar neer wat zij te vertellen hadden over de strijd. Het vallen van de massa Franse ridderwimpels, van vanen en vlaggen drijft het geloof in eigen kunnen nog verder op bij de Vlamingen.
De vertwijfeling groeit bij het Franse voetvolk wanneer ze al hun heren in het zand zien bijten. Schrik en ontsteltenis is hun deel. De Vlamingen zegevieren. Hugo van Arkel maakt zich meester van de Franse standaard, hun fameuze oriflamme. De bodem aan de beek is bezaaid met het bloed en de lijken van gesneuvelde soldaten en ridders, bekleed met de kostelijkste wapenuitrustingen die hen niet konden vrijwaren van de slacht. ‘Vlaanderen de Leeuw’, roepen de Vlaamse winnaars.
‘Sauve qui peut’, weerklinkt het dan bij de Fransen, want de ‘redde wie zich redden kan’, die de kroniekschrijvers ervan maken zal wel te hooggegrepen zijn voor onze zuiderburen. ‘De zege is aan ons’, scanderen de Vlamingen. De resterende Walen en de Fransen proberen nu te allen prijze hun hachje te redden en slaan op de vlucht naar datzelfde zuiden. Een vlucht die de Vlamingen niet zomaar laten gebeuren. De achtervolgende Vlamingen zorgen er voor dat velen onder hen nooit meer de grenzen van Frankrijk zullen bereiken.
De Vlamingen komen als duidelijke overwinnaars uit de veldslag. De Fransen verloren tijdens het gevecht 63 prinsen, hertogen en graven. En daarnaast nog 300 baanderheren, 3.000 edelen en 24.000 ruiters en voetknechten. Tot de meest gerenommeerde slachtoffers behoren Robrecht van Artesië, Jacques de Châtillon, Rudolf en Guido van Neslé, graaf Jean van Tancarville, Jean de Pontheu, de graven van Marche, van Vendôme, van Bourbon, van Estampes, van Bar en van Albe, de hertog van Berry, de oudste zoon van de hertog van Bretagne, de erfgenaam van de kronen van Henegouwen, Holland en Zeeland, de oom van de Brabantse hertog, zeg maar de bloem van Franse, Lotharische en Henegouwse notabelen.
Er is geen kasteel in al die landstreken waar niet getreurd wordt om het verlies van een echtgenoot, een vader, een broer, een zoon, neef of vriend. Op het achtergebleven slagveld ligt een kostbare buit van zilver, goud en kostbaarheden zomaar te rapen. De Vlamingen weten niet waar eerst te kijken. Er liggen werkelijk duizenden blinkende sporen, op zich al voldoende reden voor de latere kroniekschrijvers om de slag in Kortrijk te vereeuwigen als ‘De Slag van de Gulden Sporen.’
Na deze eclatante zege brengen de Vlamingen hulde aan de heilige Maagd, Gwijde van Namen heeft haar hulp ingeroepen in de moeilijkste momenten van de strijd en ze heeft warempel geluisterd naar hem. Als er al goud en sporen te rapen vallen dat moeten al die kostbaarheden aan deze beschermvrouw geschonken worden. Het grootste deel ervan blijft dus achter in de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Kortrijk waar tussen de 6.000 en 8.000 sporen tentoongesteld worden. De rest gebruiken de Vlamingen om de kosten van het leger te vergoeden.
Veel gevangen Franse paarden worden buitgemaakt door onze stedelingen. Jean de Lens, de gouverneur van het Kortrijkse moet noodgedwongen zijn kasteel in handen van de Vlamingen geven en de stad van Gent gaat nu officieel de zaak van de Vlaamse onafhankelijkheid bijtreden.
Dit is een fragment uit Boek 9 van De Kronieken van de Westhoek


