Vlaanderen valt nu hoofdzakelijk te onderscheiden in twee delen. Eerst heb je ‘Vlaanderen onder de Kroon’, het leengebied van Frankrijk en daarbij heb je ‘Vlaanderen onder het Rijk’, dat afhangt van het Duitse rijk. Later zullen de graven nog extra gebieden verwerven die men dan zal catalogeren als ‘allodiaal Vlaanderen’. Vlaanderen onder de Kroon (het feitelijke graafschap) bestaat uit twee ongelijke delen met de Leie als tussengrens. Aan de linkerzijde vinden we Vlaams Vlaanderen omdat de Nederduitse taal hier dominant is. Aan de rechterkant van de rivier komen we in Waals Vlaanderen waar een soort primitief Frans als voertaal geldt. Vlaams Vlaanderen zal op termijn ingedeeld worden in negen kasselrijen met daarbij nog het Vrije van Brugge.
De kasselrijen van Gent, Oudenaarde, Kortrijk, Ieper, Belle, Cassel, Broekburg, Sint-Winoksbergen en Veurne. Het Vrije telt zestien steden en een menigte van dorpen. Waals Vlaanderen bezit maar drie kasselrijen. Die van Rijsel is de grootste en dan heb je nog die van Douai en van Orchies. Rijks Vlaanderen ligt aan de overzijde van de Schelde. Ik heb het over de Vier-Ambachten, het Land van Waas en dat van Aalst. Allodiaal Vlaanderen is een vrije eigendom van de graaf. Hij is voor dat land aan niemand iets verschuldigd. Daar vallen de heerlijkheid van Dendermonde en het land van Bornem onder.
Graaf Boudewijn regelt het dat zijn dochter Mathilde in 1056 trouwt met Willem van Normandië die hij nu ook systematisch helpt bij zijn verovering van Engeland. Zijn schoonzoon zal in de geschiedenisboeken bekend worden als Willem de Veroveraar. Nu moet de graaf alleen nog zorgen voor zijn tweede zoon Robrecht die op dat moment nog altijd vrijgezel is. In 1063 trouwt Robrecht te Oudenaarde met Geertruide van Saksen, de weduwe van Floris I, de graaf van Holland of Friesland. Vandaar zijn bijnaam ‘Robrecht de Fries’ omdat de gravenzoon nu officieel dienst doet als voogd of ruwaard van Holland.
Zijn verwijzing naar Friesland heeft natuurlijk ook veel te maken met het feit dat hij in het begin van zijn bestuur op een hardhandige manier een einde maakt aan een opstand van de Friezen. Deze Robrecht etaleert inderdaad dan al tekenen van heerszucht. Op zich is dat al voldoende reden voor zijn vader de graaf om met het eigen bestuur in Vlaanderen de nodige afspraken te maken zodat het tussen Robrecht en zijn oudere broer niet tot disputen zal komen. Boudewijn VI zal immers na de dood van zijn vader zijn plaats als nieuwe graaf van Kroon-Vlaanderen overnemen.
De jongste zoon mag rekenen op Rijks-Vlaanderen, de Zeeuwse eilanden en een opmerkelijke som geld. Wel te verstaan op voorwaarde dat hij zich zal vergenoegen met zijn gebieden en nooit ofte nimmer overlast zal aandoen aan zijn broer. Robrecht zit nu al in een comfortabele situatie in Holland en stemt toe in het voorstel van zijn vader. Het lijkt er op dat de oude graaf een verstandige deal afsluit. Want uiteindelijk hangt de toekomst van Vlaanderen er in grote mate van af!
Tijdens de laatste jaren van zijn leven doet Boudewijn V nog dienst als regent van Frankrijk voor de zevenjarige kroonprins Philippe, een opdracht die hij naar behoren vervult. Zijn echtgenote Adela sticht in 1062 de benedictijnenabdij van Mesen waar ze na de dood van haar man ook de sluier van zal aannemen. In Mesen komt er door haar toedoen een schone kerk met een klooster.
Ze begiftigt de kerk met het onderhoud van twaalf kanunniken die er goddelijke diensten zullen verrichten. Het klooster krijgt van haar zoveel goederen dat er wel dertig edele vrouwen van kunnen leven. Dat klooster zal later dankzij zijn rijkdommen en voorrechten uitgroeien tot een van de bekendste en meest edele instellingen van Vlaanderen. Datzelfde jaar 1062 staat ook aangestipt als een tijd van hongersnood waarbij veel mensen van gebrek sterven. Het centraal graanmagazijn van onze provincie bevindt zich in Oudenburg en zelfs daar is de crisis latent aanwezig.
Wanneer een vreemdeling precies daar van de honger bezwijkt beslist priester Godebertus om de dode in het geniep en zonder klokkengelui te begraven. Verscheidene kronieken melden dat tijdens die begrafenis de klokken zoals gebruikelijk gaan luiden zonder dat daar ook maar één klokkenluider bij te pas komt.
Boudewijn V mag aan het einde van zijn leven positief terugdenken op al zijn prestaties. Zijn schoonzoon Willem die getrouwd is met zijn dochter Mathilde zit op de troon van Engeland. Zijn erfgenaam Boudewijn van Bergen heeft het geschopt tot graaf van Henegouwen. Tweede zoon Robrecht de Fries is getrouwd met Geertruide, de gravin van Holland en het is hij die het land daar als rijksvoogd bestuurt. Graaf Boudewijn V overlijdt na een bestuur van 31 jaar op 1 september 1067 te Rijsel. Op 54-jarige leeftijd. Boudewijn van Bergen zit naast het sterfbed van zijn vader.
Hij krijgt nog de raad om goed overeen te komen met God en met Frankrijk en dat hij altijd naar vrede moet zoeken en altijd moet proberen om mensenbloed te sparen. Nog geen uur later blaast hij zijn laatste adem uit. Vooral de inwoners van Rijsel rouwen om zijn heengaan. Het verdriet zit er ook bij de Vlamingen. Ze verloren een uitstekende bestuurder en een goedhartige vader. Na de lijkplechtigheden van haar man vertrekt Adela naar Rome. Ze krijgt er van paus Alexander II het geestelijk kleed van de orde van de heilige Benedictus. Na haar reis treedt ze binnen in haar Mesense klooster waar ze tot haar levenseinde een godvruchtig slot aan haar bestaan zal breien.
Vlaanderen ontwaakt eind 1067 met een nieuwe graaf. Boudewijn VI van Bergen is 37 jaar en voldoende rijp om zijn taak naar goeddunken te kunnen vervullen. Hij is nu tevens de grote baas van Kroon-Vlaanderen en van Henegouwen. Zijn jongere broer Robrecht de Fries bestuurt Aalst, het Land van Waas en de Zeeuwse eilanden zodat Vlaanderen in twee delen gescheiden is. De kroniekschrijvers van zijn tijd omschrijven Boudewijn als een doorslag van zijn vader. Godvruchtig en een minnaar van rust en vrede. Een van zijn eerste maatregelen is het invoeren van een lange witte roede die de baljuws en de voorzitters van de Vlaamse rechtbanken in hun rechterhand moeten houden.
Als teken dat rechters zuiver en rechtvaardig horen te zijn en dat het recht evengoed telt voor arm als voor rijk. Boudewijn maakt ook een einde aan de barbaarse toestanden van de tweegevechten en de praktijk van het ‘oog voor oog en tand om tand’. Vlaanderen evolueert tot een land waar men veilig kan reizen. De inwoners hoeven niet langer de deuren van hun huizen te sluiten uit angst om overvallen te worden. Andere historici zijn niet zo overtuigd dat het er hier zo vredevol aan toegaat.
In de 11de en de 12de eeuw is het nergens veilig in Europa, roof en moord heersen overal, met inbegrip van Vlaanderen. Op één enkel jaar betalen daders van gepleegde doodslagen hier maar liefst 10.000 zilveren marken aan penalisaties. Aan de andere kant toont dit ook wel aan dat deze misdaden niet ongestraft blijven. Gelukkig worden er vanuit de kerk initiatieven genomen om orde in de chaos van de misdaden te brengen. De zogezegde ‘godsvrede’ waar Boudewijn van Bergen en eerder al zijn vader hun schouders achter zetten. In die tijd koopt de graaf van een zekere Geraard van Hunnegem een heuvel met villa samen met de hele omgeving er rond. Hij geeft zijn verse aankoop de naam van Geraardsbergen, laat op de heuvel een stad met muren bouwen en begiftigt die met een keure en enkele schepenen, zoals dat gebeurt bij elke andere Vlaamse stad. De voorrechten van Geraardsbergen zijn zo attractief waardoor nogal wat inwoners hier hun thuis gaan stichten.
In 1070 komt er vrij bruusk een einde aan het leven van Boudewijn van Bergen. De graaf krijgt te maken met een zware ziekte die zijn geneesheren voor een voldongen feit stellen. Boudewijn beseft dat zijn dood slechts een kwestie van tijd is en belegt daarom een dringende staatsvergadering in Oudenaarde. Hij ontbiedt er vanuit Henegouwen en Vlaanderen de bisschoppen, de belangrijkste geestelijken, edellieden en ambtenaren. En opnieuw stel ik de vreemde gewoonte vast dat de relieken van de voornaamste heiligen ernaartoe gesleurd worden alsof ze een talisman voor de toekomst met zich meedragen.
Het doel van de stervende graaf is om zijn land te verdelen onder de twee zonen die hij en Richilde samen geproduceerd hebben. Arnulf III is in 1070 een jaar of vijftien. Zijn broer Boudewijn moet een jaar jonger zijn. Boudewijn benoemt Arnulf tot graaf van Vlaanderen terwijl Boudewijn graaf van Henegouwen wordt. Hij vraagt aan de aanwezigen om hun trouw te zweren aan zijn beide zonen. In afwachting van hun meerderjarigheid neemt Boudewijns broer Robrecht de Fries het regentschap over van Arnulf III. In Henegouwen zal Richilde dat doen voor haar zoon Boudewijn II van Henegouwen. Op 17 juli van 1070 blaast graaf Boudewijn VI van Vlaanderen zijn laatste adem uit. In principe zou Robrecht de Fries zijn taak als regent direct moeten opnemen.
Een oorlog in Friesland gooit echter roet in het eten waardoor zijn schoonzuster Richilde vrij spel krijgt. De lezer moet weten dat Boudewijns weduwe allerminst te spreken is over de verdeling van het land onder haar twee zonen en vermoedelijk leefde in de veronderstelling dat heel het land in haar schoot zou vallen. De afwezigheid van Robrecht de Fries komt haar nu goed uit om te beginnen met een verdeel-en-heers politiek waarbij ze niet aarzelt om de Vlamingen te koeioneren en de Franssprekenden te begunstigen. Dat zijn helaas maar de eerste pesterijen.
Bij de Vlaamse edelen begint ze Robrecht de Fries af te schilderen als een heerszuchtige man van wie ze niets goed moeten verwachten, een man die er alleen maar op uit is om Vlaanderen persoonlijk binnen te rijven in plaats van alleen maar de regent voor haar zoon Arnulf te spelen. Bedoeling is natuurlijk om de adel aan haar kant te krijgen, een objectief waar ze grotendeels in slaagt. Ze verzekert zich voor veel geld van de bijstand van koning Philippe van Frankrijk waardoor ze nu openlijk ingaat tegen de laatste wilsbeschikking van haar overleden man. Niet Robrecht maar zijzelf zal Vlaanderen besturen als regentes voor Arnulf III.
Robrecht de Fries reageert furieus op dat nieuws en eist het zeggenschap over Vlaanderen op. Richilde reageert laconiek op zijn dreigementen. Als het nodig is zullen de wapens moeten beslissen als hij dat tenminste durft te wagen. Robrecht zweert van zich te wreken maar kent in Holland zodanig veel problemen dat hij daar onmogelijk kan vertrekken en dus moet hij zijn hoogmoedige schoonzuster noodgedwongen haar gang laten gaan.
Deze boosaardige Richilde is van niemand bang en wordt stouter met de dag. Ze profiteert van Robrechts afwezigheid om met een grote krijgsmacht al zijn heerlijkheden en gebieden aan te tasten. Ze neemt eerst het graafschap Aalst in, dan de Vier-Ambachten en tenslotte verovert ze de Zeeuwse eilanden. Daarna keert ze als een opgeblazen kikker naar Vlaanderen terug. De manier waarop ze het land bestuurt slaat werkelijk alles. Bij elke beslissing bewijst ze dat er absoluut geen Vlaams bloed door haar aderen stroomt. Ze verricht alles in haar eigen naam en zet haar eigen zoon Arnulf helemaal buitenspel. De kroniekschrijvers vertellen dat ze er een dode schaduw van maakt.
Ze gooit alle Vlamingen uit haar adviesraad en luistert enkel nog naar haar twee adviseurs, de Franse barons de Mailly en de Coucy die natuurlijk niet de minste voeling hebben met de inwoners van Vlaanderen. Richilde is zo vermetel en verwaand dat ze veel hooggeplaatste ambtenaren van hun functies berooft en door eigen pionnen vervangt, lieden die daar niet eens bekwaam toe zijn. Het volk moet ondertussen al ongehoorde belastingen betalen. Zo bijvoorbeeld op de levensmiddelen. Op elk bed waar in Vlaanderen op geslapen wordt eist ze bijvoorbeeld vier ponden.
De reactie van de mensen kan onmogelijk lang uitblijven. Deugdzame en rechtvaardige ambtenaren die niet willen instemmen met haar maatregelen ondergaan een wrede behandeling en worden zonder enige genade met de dood bestraft. Zo worden de wethouders en de voornaamste notabelen van Oudenaarde op bevel van Richilde met het zwaard onthoofd. Jan van Gavere, de hoogbaljuw van Ieper ondergaat hetzelfde lot. De zelfverklaarde gravin eist dat de Ieperse wethouders zich bij haar in Oudenaarde moeten komen verontschuldigen voor alles wat ze over hen gehoord heeft.
Ze krijgt als antwoord dat het niet de gewoonte is dat wethouders zich buiten hun eigen kasselrij moeten begeven om dergelijke verklaringen af te leggen. Een antwoord dat deze Richilde nog kwader maakt. De feeks vindt er niets beter op dan met veel krijgsvolk en met haar zoon Arnulf als kapitein naar Mesen te vertrekken. De nacht van hun aankomst krijgt de plaats het hard te verduren. Alleen al om het feit dat de mensen haar naar eigen zeggen niet waardig genoeg ontvangen steekt ze hier dan maar alles in brand. De volgende morgen zet ze haar weg voort naar Ieper.
De wethouders en de voornaamste notabelen willen niet diezelfde fout maken als hun Mesense collega’s en sturen zestig prominente inwoners tot buiten de stad om de ‘gravin’ alle eer te bewijzen en haar de sleutels van de stad te overhandigen. Maar ze zijn amper bij haar gearriveerd en hebben nauwelijks hun eerbetoon afgestoken als Richilde hen laat vastgrijpen en onthoofden. Als ik in mijn kronieken mag spreken over een zwarte bladzijde voor Ieper, dan zal het wel deze ongehoord criminele daad zijn. Richilde doet nu niet eens meer de moeite om nog verder naar Ieper te reizen en keer netjes terug van waar ze gekomen is.
De maat lijkt nu toch wel vol voor de Vlamingen. Deze madam verdient geen gehoorzaamheid en geen respect. Daarvoor is ze veel te boosaardig. Oproer kan de enige valabele reactie zijn om het zelfrespect van de Vlamingen enigszins gestand te houden. De Bruggelingen, Gentenaars en de Ieperlingen werpen het juk van gehoorzaamheid af.
Ze sturen een brief naar Robrecht de Fries waarin ze hem omstandig op de hoogte brengen van de wrede dwingelandij van Richilde en dat ze inmiddels al heel zijn land bezet houdt. Die haast zich om met een wapenstilstand van een jaar een voorlopig einde te stellen aan zijn oorlog tegen de Friezen en snelt nu eindelijk de Vlamingen ter hulp. Hij krijgt alvast 4.000 Engelse soldaten ter beschikking van zijn zwager, de koning van Engeland. Hij belooft de mannen al van bij hun aankomst in Brugge een voorschot van vier maanden op hun soldij. Maar ondanks dat geld weigeren de Engelsen hun eed van trouw af te leggen aan Robrecht.
Dit is een fragment uit Boek 9 van De Kronieken van de Westhoek


