banner
feb 19, 2026
66 Views
Reacties uitgeschakeld voor In Vlaanderenland

In Vlaanderenland

Written by
banner

In diverse biografieën van predikers komt de primitieve naam van Vlaanderen al eventjes piepen. Bisschop Venantius Fortunatus van Poitiers is de allereerste die Vlaanderen bij naam noemt. Hij schrijft rond 550-560 aan Sint-Medard dat hij het ruwe Vlaamse volk heeft toegevoegd aan het bisdom van Noyon. ‘Ferrocem Flandrensium gentem sue Noviomensi ecclesie socialle’.

In het leven van Eligius, bekend als de ‘apostel van Vlaanderen’ heeft Oudoenus het in het jaar 660 over ‘multum praetereà in flandris laboravit sanctus Eligius’. Ook Miroeus heeft het dat jaar over ‘Maritimam oram eo tractu Flandras……erant ibi tum vici, tum castella’. De inwoners van de landstreken tussen Boulogne, langs de zeekusten tot aan Oostburg worden nu allemaal Vlamingen genoemd. Ze zijn voor het merendeel allemaal Vrijlaten, afkomstig van de eerste Franken. Oudoenus bevestigt in 660 dat de Kortrijkzanen en de Gentenaars niet meegerekend worden bij de ‘Vlaanderlingen’.

De regio Vlaanderen is dan ook veel kleiner dan het Vlaanderen uit pakweg de 13de eeuw. De oude kroniek van Saksen heeft het over ‘Franken-land by Gant’. Oudoenus vertelt dat koning Pharamond uit het Frankenland vertrokken is uit het Vrije om zich te settelen in Doornik, voor hem het tweede Gallië en dat het derde Gallië in zijn tijd bestaat uit Frankrijk, Noviomensis (regio Noyon), Flandrensis (het Vrije), Gandensis (het Gentse) en Cortracensis (de streek van Kortrijk).

De naam Vlaanderen komt pas echt boven water in het jaar 835 wanneer Lodewijk de Vrome zijn gebieden gaat indelen en daarbij de naam van ‘Flanderus’ laat vallen. Rond diezelfde tijd is er een Scandinavische bard die de tochten van de Noorman Ragnar Lodbrog bezingt en het daarbij heeft over Flemingia tussen de oceaan en de Schelde. Die Ragnar Lodbrog ken ik trouwens van de historische reeks van de Vikingen op tv. De letterlijke tekst luidt als volgt:

Hiuggum vier med hiorve
Hilldur var synt i vehste
Adur Freyr kongur fille
A Flemingia lande

Vrij vertaald als volgt:
Wij streden dapper met de zwaarden
De rusteloos aangewassen slag
ging zonder einde, ter ere van Freir, de koning
die ter aarde lag in Vlaanderland.

In het jaar 859 maakt Kortrijk nog altijd geen deel uit van Vlaanderen. In de tijd van Karel de Kale staan de verscheidene regio’s er in de ‘Capitulis Caroli Calvi’ nog omschreven als Noyon, Vermandois, Artois, Kortrijk, Vlaanderen als zijnde de graafschappen van forestier Ingelram. In feite regeert Boudewijn dan al jaren in de plaats van zijn vader. Ik zal het later hebben over de chronologische opgang van de eerste forestiers maar kan alvast stellen dat het die Boudewijn zal zijn die de eerste graaf van Vlaanderen zal worden en die van zijn functie meteen gebruik zal maken om al die regio’s de officiële naam van Vlaanderen te schenken.

Vanaf de 7de eeuw krijgen we de eerste info over de infrastructuur in onze streek. Behalve het kasteel ‘Bruche’ prijken er ook burchten in Broekburg, Veurne en Sint-Winoksbergen en op nog andere plaatsen. Die burchten zijn bewoond door burggraven of kasteleins die zich als ‘graven’ laten aanspreken. Rond het jaar 800 leren we dat die burggraven aangesteld zijn door de koning van Frankrijk om het land en de zeekusten te bewaken en dat ze belast zijn om wet, recht en justitie te doen voor de inwoners van Vlaanderen, meer bepaald over de burchten, kasselrijen en het land van de Vrijen. Brugge zelf krijgt het toezicht op de steden.

Maar nu is het toch wel echt tijd om te beginnen aan de geschiedenis van de graven van Vlaanderen en mijn oud verhaal van Vlaanderen. De achtste forestier van Vlaanderen, Boudewijn van de Ijzer zal het in de loop van de 9de eeuw schoppen tot onze eerste graaf. Maar daar gaat een heel ruime voorgeschiedenis aan vooraf. Ik geef aan de lezer graag mee dat nogal wat kroniekschrijvers worstelen met namen en jaartallen van die eerste forestiers. En dat ik dus zelf het nodige voorbehoud maak over de historische precisie van hun leven en dood. Mythe en onvoldoende schriftelijke overlevering laten hier nu eenmaal geen perfecte geschiedschrijving toe.

De eerste in de reeks van forestiers is Liederik I die in het jaar 615 het kasteel van Lillesbuck (Rijsel) overneemt van de boosaardige Finaart en in opdracht van de Franse (Frankische) koning Chlotarius II de verantwoordelijkheid krijgt om wet en orde te stellen in het aartsgevaarlijke Vlaanderen van die dagen. De hele geschiedenis staat te lezen in een of andere uithoek van mijn kronieken en bevat ongetwijfeld een flink stuk fantasie.

Het stemt me gerust dat Chlotarius II inderdaad leeft in 615 waardoor ik enigszins zeker ben in het framewerk van de tijd. Liederik I krijgt de bevoegdheid over Atrecht, Vermandois, Nijvel, Ariën-aan-de-Leie, Boulogne, Douai, Rijsel, Sint-Omer, Gent, Brugstock (het latere Brugge), Harelbeke en andere plaatsen. Het enige wat de Franse koning eist van Liederik is dat hij voor deze gebieden manschap aflegt, iets wat Liederik ongetwijfeld met plezier zal doen. In 621 trouwt hij te Soissons met Rithilde (of Idonea), de dochter van diezelfde Chlotarius en kan hij nu echt beginnen aan het bestuur over het prille Vlaanderen.

Tijdens zijn verblijf in Rijsel laat hij een kasteel optrekken in Harelbeke, waar het jonge koppel gaat wonen. Op 14 jaar tijd produceren ze maar liefst 15 zonen en 3 dochters. Joseram, Antonius, Bosschaert, Baudryn, Alianus, Lyoneel, Galerand, Mauritius, Boudewijn, Magnifer, Saladryn, Monfort, Ganimedes, Baudiaan, Liederik, Idonea, Gratiana en Leonarda.

Ondanks zijn grote kroost kwijt Liederik I zich trouw van zijn plicht, hij bestuurt zijn gebieden met de nodige strengheid, spoort kwaaddoeners en moordenaars op en berecht ze volgens hetgeen ze mispeuterden. Hij heeft een grondige hekel aan onrechtvaardigheid. Dat blijkt uit de onthoofding van zijn oudste zoon Joseram voor het niet betalen van een mandje fruit aan een arme vrouw. Deze Liederik moet inderdaad een heel principiële figuur zijn.

Volgens de jonge kerk van Jezus Christus loopt het in Vlaanderen vol van de ongelovigen. Een typische mening en vooringenomenheid van enkele fanatieke godsdienstkwezels om alleen maar door de ogen van hun eigen god te kijken. De Fransman Amandus komt op de proppen met zijn idee om het woord van God te verspreiden in het heidense Gent en zijn omgeving, ja tot zelfs in Kortrijk.

Best een moeilijke opdracht want de mensen die er wonen zijn net zo woest als de grond waarop ze wonen. Hoe hij het doet weet ik niet maar hij bekeert nogal wat ongelovigen. Zijn argument van het eeuwig leven in de hemel zal wel hout snijden. Amandus slaagt er in om twee kloosters te stichten, beide opgedragen aan de apostel Petrus. Het eerste komt op de Blandijnberg en zal later uitgroeien tot de Sint-Pietersabdij. Het tweede klooster verrijst in Sint-Baafs. Liederik trekt in 641 ook Eligius aan om te komen preken, de man doet dienst als bisschop van Noyon en Doornik en predikt op een haast fanatieke manier in de steden en de dorpen.

Niet iedereen ziet de katholiek graag komen. De Sueven en de barbaren langs de Vlaamse kusten ontvangen hem ronduit vijandig en bedreigen Eligius vaak met de dood. Hier en daar boekt hij ook wel zijn successen en slaagt hij er in de afgodencultuur te vervangen door de leer van Jezus. Maar ik loop al een beetje vooruit op de feiten. Jullie zullen straks zien welke hulp al die predikers mogen verwachten van forestier Liederik in zijn inspanningen om de Vlaamse zeden wat op te krikken.

Ik blik ook nog eens terug op de ontstaansgeschiedenis van Brugge. Die vangt aan ter hoogte van een primitieve brug waar later de kapel van het Heilig Bloed zal verrijzen. Een oversteek over de waterloop waar ooit de eerste vesting van Brugge zal verschijnen. Deze waterloop leidt in de richting van de Oudenburgse aardeweg buiten de Smedenpoort, langs waar de kooplieden die van Rodenburg (Aardenburg) komen om zich naar Oudenburg te begeven. Rodenburg en Oudenburg zijn zoals hun namen laten vermoeden twee versterkte steden en al vroeg in de geschiedenis bekend om hun bloeiende koophandel.

Naast de ‘Brugstock’ staan er twee herbergen gebouwd, samen met een vesting of een soort kasteel dat toen de naam ‘Bruche’ draagt. Hier begint de stad Brugge aan zijn rijke geschiedenis. Het begint met kooplieden die het interessant vinden om zich te hier te vestigen op deze centrale plaats tussen Rodenburg en Oudenburg. Hun woningen worden door een vesting beschermd om zich toch enigszins te verdedigen tegen vreemde indringers. Dat primitieve dorp zal al in de vijfde eeuw uitgroeien tot een eerste versterkte stad.

De puberjaren van Brugge worden beschreven door een aantal notoire chroniqueurs. Op het einde van de jaren 200 schrijven Montanus en Canisius in hun ‘Acta Sanctorum’ dat de toenmalige paus Marcellinus de heilige Chrysolus naar Brugge zond om er het heilig Evangelie te verkondigen. Volgens Johannes Vredius is Brugge in 366 al een vesting of een kasteel met de naam ‘Bruche’ die al in de tijd van Pharamond zou gebouwd zijn. Die eerste koning van de Franken leefde tussen 370 en 427, dus lijkt het mij de bouw van de vesting eerder te bevestigen rond het jaar 400.

Vredius baseert zich hoe dan ook op de tekst uit een oud perkamenten boek: ‘Sainte Donaes waert Bisschop van Rhiemen, ende was de zevende bisschop in ’t jaer 366, en zoo was Brugge els niet dan een casteel’.

De forestier vraagt aan de heilige Eligius, de bisschop van Noyon en Doornik of hij niet bereid zou zijn om hier te lande het christelijke geloof te verkondigen. Zijn sermoenen hebben hier en daar tot gevolg dat de inwoners zich bereid tonen om de tempel die opgetrokken was ter ere van de afgod Mercurius af te breken en te vervangen door een kapel voor Maria.

De schrijver zegt het niet met zoveel woorden maar ik begrijp dat deze tempel zich op het grondgebied van Brugge moet bevinden. In Kortrijk gaat het Eligius veel minder voor de wind. De inwoners zijn nog beginnelingen wat betreft het katholiek geloof en zijn allerminst enthousiast over de zedenpreken van de bisschop. De man ondervindt hier de grootste moeilijkheden en moet veel vervolgingen doorstaan.

Het jaar 650. Forestier Liederik doet in elk geval de nodige inspanningen om tweehonderd jaar na datum de draad van Chrysolus weer op te pikken en wat te doen aan de barbaarsheid van de bevolking. De geloofsprediker Trudo duikt op in Brugge en daar zal Liederik wel iets mee te maken hebben. Mijn kroniekschrijver heeft het graag over heiligen en sinten en spreekt de man aan met de ‘heilige Trudo’.

Ikzelf ben nu niet bepaald gek op de mirakeltoestanden waar de katholieke kerk de goegemeente zelfs op de dag van vandaag maar blijft belazeren. Niet dat ik geen respect heb voor die predikers maar je moet ze nu niet speciaal ophemelen alsof ze geen doodgewone pioniers van vlees en bloed, goede bedoelingen en menselijke zwakheden zouden zijn. De zogezegd ‘heilige’ Trudo noem ik net zoals al zijn collega’s bij hun voornaam.

Dit is een fragment uit Boek 9 van De Kronieken van de Westhoek

Article Categories:
fragment uit deel 9
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Comments are closed.