Boudewijn krijgt volop kans om zijn status van graaf waar te maken. Daar heeft de dreiging van de Noormannen alles mee te maken. Het is deze eerste graaf die de Burg van Brugge versterkt met hoge torens, muren en bolwerken. Boudewijn blijft bezorgd dat de wildemannen uit het noorden hier plots weer zullen opduiken en bouwt in Brugge een burcht, de Burg. Goed versterkt, voorzien van stevige muren.
Het kasteel moet in tijden van oorlog een veilig onderkomen zijn voor de inwoners, voor de vrouwen en de kinderen en hun bezittingen. De graaf laat ook een burcht bouwen in Gent. Met de heel toepasselijke titel ‘Gravensteen’. Een beetje zoals de burcht in Antwerpen waar de inwoners hun veilige plek omschrijven als het ‘Steen’. De Steenakker aan de Leie in Wervik herinnert ons er aan dat Boudewijn hier een identieke burcht liet construeren.
Ik kan deze bewering helaas niet staven door geschriften. Allemaal om weerstand te kunnen bieden aan de wildemannen uit het noorden De muren van de burg zijn volgens de kroniekschrijvers wel acht voeten breed en honderd voeten hoog en onmogelijk te verwoesten. Op een bepaald moment wordt de vrees voor de Noormannen realiteit. Daar komen ze aan! Boudewijn slaagt er herhaaldelijk in om hen nederlagen aan te smeren maar de woeste noordelingen hernieuwen telkenmale hun aanvallen met zo veel vers mensenvlees als ze maar willen.
In het jaar 876 zeilen ze massaal het Scheldebekken binnen. Onder het bevel van hun zeekoning Hastings. Eens geland storten ze zich op het land van Cadzand waar ze onder andere de schone steden van Oudenburg en Rodenburg vernielen. In Brugge richten ze verschrikkelijke verwoestingen aan. Ze vernielen de abdij van Eeckhoutte en breken die af tot op de grond.
De monniken die hier al zo veel goeds voor de gemeente hebben gedaan worden weggejaagd. Een aantal onder hen vindt een schuilplaats in de buurt van Amersham, gelegen op de weg naar Oostkamp. Ter hoogte van een stenen brug waardoor die plek de naam van ‘Steenbrugge’ zal blijven houden. De noordse roofpartijen dijen verder uit tot aan de mondingen van de Deule en de Scarpe waar ze door graaf Boudewijn van Vlaanderen en graaf Renier van Mons gestuit worden.
In 879 overlijdt de dappere Boudewijn in Atrecht. Hij heeft het land 25 jaar bestuurd als forestier en nog eens 5 jaar als graaf van Vlaanderen. Boudewijn van de Ijzer heeft zich bijzonder geliefd gemaakt bij de Vlaamse geestelijkheid. Niet moeilijk dat de middeleeuwse kronieken uitpuilen van de goede woorden over zijn figuur. De schrijvers prijzen Boudewijn de hemel in, deze vorst heeft tijdens zijn leven nooit iets aangevangen zonder eerst om raad en toestemming te vragen aan de geestelijke staat.
Het lijk van de dode graaf wordt naar Sint-Omer (Sithiu) gevoerd en bijgezet in de kerk van Sint-Bertijns. Boudewijns hart en ingewanden vinden hun laatste plekje in de abdij van Sint-Pieters te Gent. Boudewijn en Judith bezegelden hun voor Vlaanderen historische liefde met drie zonen. Karel, de oudste stierf al tijdens zijn jeugd, Boudewijn en Rudolf (Raoul). Wat Judith zelf betreft, tasten de geschiedschrijvers in het duister hoe haar leven verder verloopt.
Dat ze vermoedelijk haar man overleeft en dat haar lichaam naast de ingewanden van haar man begraven ligt in Gent. Kroniekschrijver Despars beweert dat ze in Saint-Denis te Parijs ligt, op de begraafplaats van haar ouders en van de koningen van Frankrijk. Volgens Wikipedia en andere internetbronnen stierf de Frankische prinses en gravin van Vlaanderen Judith van West-Francië al op 25-jarige leeftijd in 870.
Anno 879. Boudewijn II treedt in de voetsporen van zijn vader. Hij laat zich ‘de Kale’ noemen. Niet omdat hij kaalhoofdig is maar omdat hij de bijnaam van zijn twee jaar geleden grootvader Karel de Kale wil eren en behouden en zichzelf toch wel wil meten met het imago van een grote koning. Zijn broer Rudolf krijgt na de dood van vader Boudewijn het bestuur over het graafschap van Cambrai (Kamerijk) toegewezen.
Boudewijn II staat bekend als een devote prins, groot van gestalte en van moed. Die eigenschappen kan hij maar al te goed gebruiken om Vlaanderen te besturen. Tijdens het begin van zijn regeerperiode, in 880, krijgt hij te maken met extra grote aanvallen van de Denen en de Noormannen die perfect op de hoogte zijn van de dood van de ‘ijzeren’ Boudewijn die hen maar al te vaak met het zwaard verpletterde. De noorderlingen rukken met een verbazingwekkend machtsvertoon op in de richting van Vlaanderen.
Onder de leiding van hun aanvoerder Rollo, een beer van een vent die haast geen paard vindt dat kloek genoeg is om zijn torso te dragen. Ze hopen hier een grote buit te vinden maar ondervinden al vrij snel dat Boudewijn II uit hetzelfde hout gesneden is als zijn vader. Pas na lang en hard vechten en na veel bloedverlies en dankzij een numeriek overwicht kunnen ze het Vlaams leger van Boudewijn neerslaan. De Noormannen laten zich nu helemaal van hun slechtste kant zien. Wrede en hebzuchtige mannen zijn het. Aan hun aantallen lijkt wel geen einde te komen.
De woeste zeeschuimers zitten al gauw in Gent waar ze lelijk huis houden in de abdij van Sint-Baafs. De monniken van dat klooster zijn haastig op de vlucht geslagen en zwerven nu van klooster naar klooster, tevergeefs op zoek naar een beetje veiligheid. Na de winter verspreiden de Noormannen zich als een heuse plaag over heel Vlaanderen. Ze plunderen, verwoesten, branden en moorden er op los. Langs de Schelde en de Leie blijft er niets ongeschonden.
Een aantal kloosters en steden worden zwaar toegetakeld maar blijven tenminste nog bestaan na de doortocht van deze wildemannen. Ik heb het over Sint-Omer, Doornik, Terwaan, Boulogne, Oudenburg, Oostburg, Aardenburg, Torhout, Veurne, Ieper, Kortrijk en andere plaatsen die allemaal erg te lijden krijgen. De dorpen krijgen het nog veel harder te verduren en worden tot as herleid. Hekelsbeek, Wormhout, Groenberge (het latere Bergues of Sint-Winoksbergen), Watene, Cassel, Belle, Steenvoorde, Poperinge, Mesen, Waasten, Komen, Wervik. En hogerop, naar het noorden toe, krijgen nog andere plaatsen het zelfde lot toebedeeld; Harelbeke, Petegem, Oudenaarde, Aalst, Ename en nog heel wat andere plekken en burchten, groot of klein die van de aardbodem verdwijnen of tot puinhopen worden getransformeerd.
Het jaar 880. De noorderlingen nemen de stad Kortrijk in, laten hun kamp daar versterken en brengen er de winter door terwijl ze de ene na de andere uitval doen. Hun aanvallen zijn bijzonder schadelijk voor het land. Ze vernietigen de regio van de Vier-Ambachten, steken heel de stad van Sint-Omer in brand. Gelukkig sparen ze het klooster van Sint-Bertijns. Ook Terwaan en Doornik en heel wat andere steden en dorpen vallen ten prooi aan de vlammen.
De inwoners zijn zo erg verschrikt van al hun gewelddaden dat ze smeken en bidden tot God om verlost te mogen worden van de woede van de Noormannen. Van daar wil Rollo verder zuidwaarts opschuiven in de richting van Henegouwen. In 881 komt het bij het bos van Mormal, het Kolenwoud bij Thuin tot een zware veldslag waarbij de mannen van graaf Boudewijn een vreselijke slachting aanrichten bij de Noormannen. Er is sprake van 9.000 doden. De rest keert zwaar gehavend terug naar hun kamp in Kortrijk.
Boudewijn beschikt helaas niet over voldoende soldaten om hen definitief uit te tellen. In 882 volgt er een identieke golf van Noors geweld en zijn Cambrai en Arras aan de beurt. De volgende jaren zijn niet minder noodlottig voor het Vlaamse land. De mensen kunnen pas een beetje rustiger ademhalen als de moordbenden verder trekken richting Frankrijk. Er zijn er ook die via de Maas en de Rijn binnendringen in Austrasië om ook dat land te verpletteren. De Vlamingen kunnen er maar wel bij varen, zolang ze hier maar verdwijnen!
De slag van Leuven zal pas in het jaar 911 de macht van de Vikingen breken. Er is nu tenminste de hoop dat Vlaanderen verlost zal zijn van verdere agressie. Boudewijn ziet zijn positieve verwachtingen nog bevestigd wanneer de Noorse leider hertog Rollo het leenbezit van een groot gebied ten zuiden van Vlaanderen krijgt. Een regio die voortaan de naam van Normandië zal dragen. ‘Les Normands’ hebben dan toch een nieuwe thuis op het vasteland beet. Hun zwerflust zal nu wel vanzelf verminderen. In latere dagen zullen ze eveneens door de christelijke leer gebrainwasht worden en daardoor gelukkig wat zachtere zeden aannemen.
Het begin van de 10de eeuw staat natuurlijk in het teken van de heropbouw. De bouwmaterialen van alles wat afgebroken werd kunnen nu worden ingezameld en zullen dienen om de geblakerde steden en dorpen weer op te bouwen en in te richten. Stenen uit Aardenburg en Rodenburg recycleren ze in de Brugse versterkingen. Zo gaat dat in de middeleeuwen. Vervoer van stenen en hout is complex en helemaal niet evident door het ontbreken van fatsoenlijke wegen.
Dat is meteen ook de reden waarom zoveel archeologisch materiaal verloren gaat. Ook de graaf doet zijn best om de rampen die zijn onderdanen hebben geteisterd enigszins te helpen verzachten. Het is natuurlijk ook een poging om verder onheil te voorkomen. Zo voltooit hij de werken die nog door zijn vader werden opgestart in Brugge. De buitenzijde van de stad krijgt nu muren en poorten.
De werklieden gebruiken daartoe inderdaad de stenen van het verwoeste Oudenburg. Olivier de Wree beschrijft de nieuw aangelegde omloop en alles wat er zich binnenin bevindt. Die gaat van de Burg naar de Blinde Ezelsbrug, Calisbrug, Peerdenburg, Meulenbrug, Sinte-Annabrug, Strooibrug, langs de Karmelietenburg voorbij de Zuidzandbrug naar het Begijnhof. Van daar keert de omloop via het hospitaal van de H. Johannes voorbij de Eeckhouttebrug en de Pandburg om tenslotte weer bij de Burg terug te keren. Deze kroniekschrijver relativeert de stenen muren van dat jonge Brugge.
De poorten zullen wel in steen gebouwd zijn maar de omwalling rond de stad is een cirkel van opgeworpen aarde omzoomd door grachten. Ook in Ieper komt er een gelijkaardige omwalling. Net zoals in Sint-Omer en de nabijgelegen abdij van Sint-Bertijn die beschermd wordt door nieuwe verschansingen. De oude naam van Sithiu verdwijnt meteen als de abdij en zijn omgeving in één agglomeratie versmelten tot Sint-Omer.
Boudewijn II levert veel inspanningen om ook Groenberge uit zijn puinen te doen verrijzen. Er komen wallen. De nieuwe stad krijgt een burcht en een klooster waar de relikwieën van de heilige Winok hun plaatsje vinden. Zijn restanten worden daarvoor weggevoerd van het naburige Wormhout. De bescherming van de abdijen is topprioriteit voor de graaf. Er is best al sprake van een redelijke rijkdom in de eerste helft van die negende eeuw.
Een richesse die als een magneet inwerkte op de Noren en dus veranderen die abdijen noodzakelijkerwijze in ware vestingen. Gent blijft zowat de hele eeuw in een toestand van verval. Het maatschappelijk leven in Vlaanderen lijkt inderdaad verder gevorderd aan de zeekant en in het westen. Om de beveiliging van het land te bevorderen laat Boudewijn II her en der nieuwe burchten bouwen, eigenlijk de naam ‘kasteel’ niet waardig.
Die centra zijn vermoedelijk de aanzet van de kasselrijen, een soort militaire indeling van het graafschap, waarbij het bevel telkens in handen is van een vazal met voldoende haar op zijn tanden. Het verbeteren van de zeden bij zijn onderdanen blijft belangrijk.
Boudewijn laat verscheidene plakkaten afkondigen om iets te doen aan de vele ongeregeldheden. De graaf toont zich bezorgd om het land van stroperij en boosheid te zuiveren. Het volk moet streven naar vrede en eendracht want dat maakt uiteindelijk zijn eigen bestuur eenvoudiger. Hij laat zich daarbij adviseren door een soort regering avant la lettre. Enkele historici zijn van mening dat dit pas later zal gebeuren terwijl anderen graaf Boudewijn II als stichter van deze adviesraad beschouwen.
Die bestaat uit twaalf van zijn bijzonderste leenheren. Tijdens de vergaderingen zitten er zes aan zijn rechterzijde en zes aan zijn linkerzijde. De graaf verklaart de waardigheid van die twaalf functies als een erfelijk recht en zo zijn die eerste leenheren meteen de eerste heren van het rijk van de graaf. Het zogenaamde ‘Hof van Vlaanderen’ bezorgt ons land in elk geval extra luister en prestige en zowaar een vleugje koninklijk aanzien.
Dit is een fragment uit Boek 9 van De Kronieken van de Westhoek


