banner
mrt 25, 2025
94 Views
Reacties uitgeschakeld voor Dagboek uit Elverdinge

Dagboek uit Elverdinge

Written by
banner

De 11de februari van het jaar 1558 woedt er op zee een storm, ‘een tempeest die nog nooit gezien en was’. Het land krijgt natuurlijk ook zijn deel. Huizen en stallen vliegen omver, achteraf zijn er haast geen boerderijen te vinden die geen zware schade hebben opgelopen. De kerken worden ter aarde gesmeten, sommig spitsen breken af en een menigte van bomen en molens worden geveld. Het lijkt er wel op dat de wereld van plan is om te vergaan.

Rond Vastenavond krijgt de geteisterde bevolking tot overmaat van ramp het bezoek van een hele bende onbekend volk. De vreemdelingen beweren Duitsers te zijn, maar in werkelijkheid zitten er wel vijf tot zes nationaliteiten tussen. ‘Deze bende was zo boos en zo snode dat de landsman hen nergens mee paaien kon.’ Ze gaan van stad tot stad, van parochie tot parochie waarbij ze de landsman grote slavernij aandoen. Ze bundelen enkele parochies in één pakket en eisen dat de mensen van het platteland hen binnen de acht à twaalf dagen hun geld en hun schatten zullen inleveren. En als de mensen dit zullen weigeren, dan beloven ze om zelf in te breken en dan al hun bezittingen mee te nemen. Veel keuze is er blijkbaar niet.

‘Men noemde deze hoop de Hinne-eters, kiekenfretters, en terwijl ze in Vlaanderen gekantonneerd waren, trokken ze er op uit in benden van minstens twintig man, naar andere parochies en overal waar ze kwamen, beroofden ze de landlieden van al hun kippen die ze per honderden allemaal samenbrachten.’ Blijkbaar hebben de kiekenfretters een of andere band met de Fransen, want het kan geen toeval zijn dat ze overal te lande zowat samen opduiken.

In de maand mei zien we in het noordwesten een komeet, een ster met een staart, rood omrand en strekkend tot aan het zuidwesten. Begin juni 1558 moeten de boeren van Veurne-Ambacht een heel konvooi met paarden inleveren en naar Kortrijk brengen. De regio wordt de hele zomer geplaagd door een gigantische muizenkolonie. De weiden en het gras lopen er vol van en zorgen er voor dat de koeien geen gras om te eten hebben. Na de zomer verdwijnen ze magerder naar hun stallen dan ze in het voorjaar naar de weiden werden overgebracht. Getuigen vertellen dat ze over een afstand van tweehonderd meter wel honderdvijftig muizen hebben zien trippelen. Bij het aanbreken van de winter, wanneer de weiden worden ingenomen door het water, verplaatsen de knaagdiertjes zich naar de huizen van de mensen en richten er zoveel schade aan, meer dan enig mens zich ooit kan herinneren.

Maarschalk de Termes heeft voor Frankrijk Duinkerke ingenomen, doet de havenstad versterken en vertrekt nu met zijn leger naar Sint-Winoksbergen waar hij een eerste aanval lanceert. Tijdens de nacht vluchten de inwoners weg met hun beste goederen. Een brigade uit Cassel (een grote menigte van volk) profiteert ervan om ‘Bergues’ extra te beveiligen en ze slagen in hun opzet. De nieuwe aanval van de Fransen wordt door de Casselnaars met succes afgeslagen waarop die hun pogingen staken en zich beperken tot het beschieten van de vestingen. Maar de inwoners van Cassel en Cassel-Ambacht die hier in de stad waren, zijn er weggetrokken, meedragende alles wat ze konden dragen en vooral de beste goederen en zo zijn ze er heimelijk vanonder gemuisd.

De vijand weet van noppes en begint de volgende morgen met een nieuwe aanval. Een nieuwe storm. Maar ze vinden geen tegenstanders meer. Ze zijn dan maar Bergen binnengedrongen en winnen er met gemak. Dat zal wel. De afwezigheid van inwoners maakt hen toornig en kwaad. Drank is er genoeg om vinden in de verlaten stad. De Fransen drinken zich lazarus, bier en wijn zorgen daar wel voor. Bij het verlaten van de stad is het leger niet veel meer dan een haveloze bende zatlappen die de stad plunderen en in brand steken en daarna het hele land aflopen tot tegen Nieuwpoort toe. Maarschalk de Termes laat na deze wrede verwoestingen hetzelfde recept los op het rijke en weelderige Hondschote. Brandstichtingen alom met een bevolking die verschrikt op de vlucht slaat en onderweg, ergens te velde, door de Fransen beroofd en mishandeld wordt.

Het graan is met deze oorlog weer flink in prijs gestegen. In oktober 1558 betalen de Poperingenaars nog achttien pond per rasier, kort daarna is die prijs in Ieper al opgelopen tot tweeëndertig pond. Alle eetwaren volgen die trend. Daar komt gelukkig verandering in. In 1559 is de prijs gezakt naar elf pond en tot 1565 zullen de voedselprijzen best schappelijk blijven en valt er niet veel opmerkelijk nieuws over onze gewesten te vertellen.

In het Ieper van oktober 1565 kost het graan opnieuw zeventien pond, de bonen ongeveer de helft van die prijs en al de granen zijn duur. De behoeftige mensen ondervinden grote problemen om aan hun brood te geraken. Vooral omdat de graanprijs tijdens de wintermaanden weer oploopt tot achtentwintig pond. De armen klagen steen en been en vragen zich af hoe ze zich door deze vreselijke winter zullen worstelen. Ondertussen blijft de nering er op achteruitgaan en blijven de prijzen opwaarts gericht.

‘Men deed visite op het land’. Controlebezoeken om te zien hoeveel er gehamsterd wordt door de buitenbevolking. Voorraden die niet echt nodig zijn worden verkocht voor het algemeen belang. De rijken moeten geld ophoesten om de armen te helpen en de koning laat zelf een verordening uitschrijven dat de behoeftigen om godswil in hun steden en parochies zouden blijven, ‘maar wat men deed of niet deed, men kon dat niet beletten.’ De winter van 1566 is ondertussen bepaald zacht te noemen. Tot in april wordt er geen ijs gezien. In de plaats daarvan doet het niets anders dan regenen, hagelen en sneeuwen en is er sprake van een hele winter met veel water en vloed. In maart kunnen de boeren niet op hun land werken wegens de grote natte.

Rond Pinksteren (2 juni) van 1566 beginnen ze op het platteland te prediken. In de streek van Armentières, Nieuwkerke, Belle, Mesen, Kemmel, Steenwerk en in heel Belle-Ambacht. Die ‘ze’ is eigenlijk maar één persoon. Een predikant die in de wandeling ‘Anteunus’ wordt genoemd. Een monnik van de Ieperse Predikheren. Hij brengt nogal wat volk op de been. Iedere keer het waanzinnig aantal van vijf- à zevenduizend mensen met onder hen zeker vierhonderd gewapende volgers die de predikant moeten beschermen tegen de tussenkomst van de autoriteiten. De sermoenen moeten dus wel een illegaal karakter hebben.

In Poperinge hebben ze een andere predikant. Pater Jacobus komt terug uit het Engelse Sandwyk maar is in feite een pater die deel uitmaakt van het Augustijnenklooster te Ieper. Tijdens de julimaand van 1566 geeft hij een reeks van preken die veel succes boeken in het Poperingse. Op 4 augustus komt broeder Jacobus naar Ieper. Hij predikt er op een grasveld tegenover het Clarissenklooster voor een mensenmassa van dertigduizend aanhangers, waarbij zo’n tien percent voorzien is van wapens om de spreker te beschermen.

Wat is er toch aan de hand in de Westhoek? Dat wordt snel duidelijk. De sermoenen handelen over het ‘Heilige Schrift’. Wat de priesters al duizend jaar vertellen over dat schrift is de hele tijd vals geweest. Op 14 augustus gaat er opnieuw een dergelijk massa-evenement door op het O.L.V.-kerkhof van Poperinge. Achteraf trekken hele bendes geusgezinden naar al de lokale kerken. ‘Ze staken er al de beelden van boven neder, braken de tresoren en garderoben, en namen al de ornamenten, klederen, boeken, ciborien en kelken. De sacramenten vertreden ze met de voeten en al dat hun niet en diende hebben ze verbrand. En doende als dolle razende mensen, sloegen en smeten ze de priesters, verjaagden ze en namen hun geld en hun goed af. Zij en hebben niets geheel gelaten van alles waaraan ze konden geraken in de kerken of kloosters. Als dit boos volk enige crucifixen omver smeten, zo riepen ze “Vive les gueux!”’

Dit is een fragment uit Boek 6 van De Kronieken van de Westhoek

Article Categories:
fragment uit deel 6
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Comments are closed.