‘Het volk van Morinum of Terwaan heeft (zo men beschreven vindt) het evangelie voor het eerst omhelsd ten tijde van keizer Diocletianus’. Ik onderbreek even de oude schrijvers om de tijd uit te lijnen. Wikipedia stelt me gerust: Gaius Aurelius Valerius Diocletianus was inderdaad Romeins keizer van 20 november 284 tot 1 mei 305. Dat omhelzen van de nieuwe leer mag ik alvast met de nodige korrels zout nemen.
Het vervolg van de oude geschriften geeft me zowaar gelijk. ‘Het prediken gebeurt door de heilige Fustiaan en Victoricus de welke gemarteld wierden op bevel van zekere Rictiovarus, de president van Amiens. Ze kwamen hier van Rome met de heilige Quintinus, Lucianus, Piatus en andere ijverige geloofsverkondigers van wie hun namen onder het getal der martelaren getekend staan. Ze hebben het marteldom geleden in een dorp omtrent één mijl van de plaats waar Terwaan placht te staan. Men noemde het eertijds ‘Het Heilig Veld’, maar de Galliërs hebben deze naam zodanig verbasterd dat het nu Hellefalt geheten wordt.’
Ik bekijk de digitale kaart van het voor Vlaanderen haast mythische Terwaan. Enkele jaren geleden ben ik hier met de bij wijlen verbaasde ogen van een kind op zoek gegaan naar sporen van onze geschiedenis.
En nu kom ik er weer terug. Kan ik ergens een plaatsnaam vinden die zich kan spiegelen aan het oude Hellefalt? Neen. Dat lukt me niet. Ik vraag me af of mijn eigen Geluveld, Hillevald genoemd door de oudere dorpsbevolking, ook zijn naam kreeg van de Galliërs en eveneens kon beschouwd worden als een heilig veld door zijn bijgelovige bewoners?
Ik bekijk mezelf in de spiegel, figuurlijk dan. Hille is de oude naam die de inwoners gaven aan hun thuis bij het water. Daar in Terwaan zullen de Galliërs wel niets verbasterd hebben. Enkele betweterige monniken zullen het wellicht nooit in de gaten hebben gehad dat de Hille in de buurt van Terwaan er al veel langer was dan die arme predikers.
Met de dood van Fustiaan en Victoricus valt de prediking stil. De Morinen of de West-Vlamingen krijgen geen les meer in het nieuwe geloof en vervallen dus maar weer in hun oude rituelen en overtuigingen. Tot de heilige Audomarus ‘hun andermaal uit deze duisternis trok en in het christendom vestigde.’
Uit deze periode blijft eigenlijk niets overeind en toch moet het nieuwe geloof hier de volgende eeuwen stevig voet aan de grond hebben gekregen. Aldus Marcus en ik gebruik onbewust het stokoude woord ‘aldus’. Precies of ik op dit moment zelf deel uitmaak van deze geschiedenissen. Het pad gaat verder: ‘men moet weten dat een groot deel dezer Nederlanden het christen geloof bewaart en geleerde mannen in de zelve gehad heeft tot dat de Gothen, Hunnen en Vandalen errewaarts gekomen zijn.’
‘Ze waren als verwoedde honden, verwoestten niet alleen landen, steden en sterkten, maar verbrandden ook de tempelen en collegien, benevens alle de boeken en oude gedenktekenen, op dat hunne naam alleen onsterfelijk zoude blijven, en alle andere gedenkenissen van oudheid of adel uitgeroeid worden. Dit is de oorzaak dat wij zo weinig zekerheid hebben van de geschiedenis dezer landen tot den tijd van Karel de Grote.’
Ik krijg het verhaal te lezen van de pientere Athanasius die het christelijk geloof clandestien promoot vanuit een onderaardse spelonk in de buurt van Trier, een plek waar hij acht jaar ondergedoken leeft uit angst voor de Arianen van de ketterse keizer Constantinus die hem uit Egypte hebben weggejaagd. Na zijn dood, hij reisde uit deze wereld tot God den 2. Mey 371, zal de ketterij in onze streken alleen maar groter worden.
Keizer Valens benoemt rond 378 Toxiander als landvoogd over Vlaanderen. Hij volgt daarmee Martsiandus op. Drie nieuwe figuren die ik van haar noch pluimen ken. Vaernewyck bedoelt Flavius Valentinianus de Romeinse consul van het Westen tussen 372 en 392. Fijn. De prediking van het nieuwe geloof komt weer op gang in de lage landen. De heilige Servatius bisschop van Tongeren is een fanatieke spreker en doet zijn best.
Enkele tellen later in de tijd, het jaar 449 is het de buurt aan Remi. Ik permitteer het me om de heilige Remigius, aartsbisschop van Reims te tutoyeren en bij zijn voornaam te noemen. Remi is de man die Clovis doopt, de zesde koning van Frankrijk en telg uit de stam van de Sicambren. Clovis is meteen de eerste christelijke koning en hij tilt hiermee zijn godsdienst tot op het officiële niveau. ‘Met hem wierden alle zijne onderdanen wedergebracht tot het christen geloof, waar zij afgeweken waren sinds de marteldood van de heilige Dionysius.
‘In het jaar 484 heeft de heilige Eleutherius, bisschop van Doornik, ook het evangelie in deze landen verkondigd. Hij verdelgde te Doornik de heidense tempel van Apollo. De eerste die het zaad van het christendom onder de Doornikers zaaiden, waren de heiligen Piatus en Chrysolius, die onder de vrede keizers en vervolgers der christenen gemarteld werden, Piatus (+528) te Doornik of daar omtrent, en Chrysolius (+484) op de Leie, ter plaats waar Komen nu staat, alwaar zijn lichaam heden nog bewaard wordt.’
Het komen en gaan van nieuwe predikanten kan misschien een saaie bedoening lijken. Een aangename randeffect van de vroege kerkgeschiedenis is zeer zeker het feit dat ze flarden streekgeschiedenis van de Westhoek met zich meesleept. Het verplicht me om mijn schuchtere tegenzin opzij te zetten en bij de les te blijven. Ik kan het niet beter brengen dan dat Vaernewyck het doet, dus laat ik hem weer het woord voeren.
‘In dit zelve jaar 528, enige jaren te vooren was Antimundus de bisschop van Terwaan, die het evangelie in Vlaanderen en Mempiscus ook verkondigd heeft. In dien tijd wierd Vlaanderen Mempiscus genoemd, uitgenomen de zeekant, die men niet Vlaanderen, maar Flandras noemde. De heilige Remigius had hem bisschop van Terwaan en de heilige Vedastus bisschop van Atrecht gewijd.’
‘In het jaar 631 heeft in Vlaanderen ook het waar geloof gepredikt een geleerde man geheten Domlius, inwoner van Thoraut, welke stad alsdan zeer bloeiende was. Torhout zeer bloeiend in de zevende eeuw. Dat is het wat ik bedoel met interessante randinformatie. Straks komt mijn schrijver nog met de naam van Livinus voor de dag. Vedastus en Livinus zorgen er voor dat de inwoners van Vlamertinge en Elverdinge bijscholing krijgen in de avonturen van de Heilige Drievuldigheid.
Dat hun kerken anno 2015 nog steeds verwijzen naar die predikers uit de jaren 600 is meteen een flinke streep fysiek bewijs hoe oud beide parochies zijn. Uiteraard gaat hun geschiedenis duizenden jaren verder terug, een fenomeen dat we kunnen afleiden uit de aanwezigheid van de waternaam ‘ille’ in beide plaatsnamen.
‘In 633 kwam de heilige Livinus, geboren in Schotland en aartsbisschop van Ierland, met drie discipelen te Gent, op de 16de juli. Na dat hij daar eene maand verbleven had, trok hij naar Essche (St Lievens-Esse bij Herzele), alwaar hij met grote ijver het woord Gods verkondigde en menigvuldige mensen bekeerde.’
‘Hij wierd daar van twee gebroeders, Walbertus en Meïzo, dienaren van de duivel, met veel wonden ter dood gebracht en onthoofd op de 12de november van dit voorschreven jaar nadat Walbertus hem zijn tong uitgetrokken en veel smaadheden aangedaan had. Zij sloegen ook dood eene deugdelijke vrouw, Craphahildis genoemd, met haar jong zoontje Brixius.’
‘In het jaar 635 kwam de heilige Eligius, bisschop van Noyon en Doornik het christendom prediken in Vlaanderen en Brabant. Hij bekeerde eerst de stad Antwerpen met het volk dat in de burcht woonde en heeft daar lange tijd zijn verblijf gehouden en gepredikt.’
‘Men leest nochtans elders dat Liederik de Buck de oude in 639, na de dood van de koning Lotharius bij zijn zwager Dagobertus, koning van Frankrijk, bad dat hij hem een bisschop zoude zenden om de wrede en ongelovige Vlamingen het christen geloof voor te houden en dat de Franse monarch op zijn verzoek de heilige Eligius in Vlaanderen zond.’
‘Hij predikte door geheel dit land en dede vele mirakelen, zo dat hij, door het voorbeeld van zijn heilig leven en met de gratie Gods, schier alle de Vlamingen bekeerde.’ Ik kan er geen woord tussen krijgen. ‘Hij woonde te Brugge en was gehuisvest waar de Sint-Amandus kapelle nu staat. Hij stichtte daar de Sint-Salvatorskerk ter eer van de heilige maagd en Sint Wulfram en die van Onze-Lieve-Vrouw tot Oudenburg en meer andere kerken in Vlaanderen.’
Eligius was zeker een waardige vriend van God meent Vaernewyck. ‘Men leest dat hij het klooster van Blandijn, nu de abdij van Sint-Pieters nevens Gent, rijkelijk begiftigde en deed vermeerderen en de Sint-Maartenskerk gesticht heeft. Na hem volgde in het bisdom van Doornik Momelinus, een godvruchtige en heilige man die zo wel de Roomse als Duitse taal sprak. Hij was medegezel van de heilige Bertinus, abt van Sithiu.’
‘In het jaar 668 is de heilige Audomarus geboortig van Duitsland, bisschop van de stad Terwaan geworden, welkers inwoners weer in hun oude afgoderij gevallen waren. Hij heeft hun andermaal tot de ware God bekeerd, door geheel zijn bisdom het woord des Heren en het evangelie verkondigd, alle overblijfselen der afgoderij te niet doende.’
Hier en daar bots ik op vreselijke verhalen. ‘In het jaar 685 heeft Ebroïnus, prins van het paleis in Frankrijk, de heilige Leodegarius, na velerlei tormenten, (te weten, nadat hij hem de ogen had doen uitsteken, de lippen en tong afsnijden en zijne broeder Gnarinus in zijne tegenwoordigheid stenigen etc.) het hoofd doen afslaan.’
‘Twee jaren daar na kwamen vier heilige mannen uit Klein-Brittanië tot de heilige abt Bertinus in het klooster van Sithiu.’ Voor wie het niet weet, is Sithiu de voorloper van Sint-Omer. ‘Zij waren genoemd Quadavocus, Andovocus, Madocus en Winocus. Hij gebood hun eene kluis te stichten te Wormhout, op het uiterste van Vlaanderen.’
Ik maak de vroegste histories mee van Sint-Omer, Wormhout en ook van Bergues dat eeuwenlang genoemd zal worden naar laatstgenoemde Winocus, Sint-Winoksbergen dus. Goddelijk is trouwens pas echt de naam ‘Klein-Brittanië’ waar de schrijver eigenlijk het vroegere Bretagne, het deel van Gallië tussen de Seine en de Loire, mee bedoelt. ‘Dezen Winocus was de broer van de heilige Joos en zij waren zonen van Indicrildus, koning van Klein-Brittanië.’
‘Veel andere vermaarde en heilige mannen hebben in het land van Vlaanderen en daar omtrent grote neerstigheid gedaan om het volk in het christen geloof te onderhouden en van alle ongerechtigheid af te trekken. Den 3. september 691 stierf de heilige Remaclus, de heilige Lambertus wierd door de Franse koning Pepijn weder in zijne stoel gesteld, waar hij van Ebroïnus uit gejaagd was. Maar in 698 wierd de gemelde heilige ter dood gebracht om dat hij Pepijn berispte over het bezitten van twee vrouwen die hij getrouwd had.’
Dit is een fragment uit Boek 6 van De Kronieken van de Westhoek


