banner
feb 9, 2026
4 Views
Reacties uitgeschakeld voor De ‘Duytsche’

De ‘Duytsche’

Written by
banner

En dan zijn er de Germanen. De ‘Duytsche’ schrijft Vaernewyck. Hun zeden verschillen totaal van die van de Galliërs. Hier bestaan er geen druïden die offerandevieringen leiden. De Germaanse goden zijn natuurelementen, dingen die ze effectief kunnen zien. De zon, de maan. En Vulcanus die door de heidenen beschouwd wordt als de god van het vuur. Dat is het zowaar.

De Germanen houden zich onledig met jagen, paardrijden en oorlog voeren. Hun kinderen moeten van jongs af leren omgaan met werken en met ongemakken. Hun favorieten zijn jongeren die lang kind blijven en de belofte met zich meedragen om uit te groeien tot krachtige strijders. Lang kind blijven, betekent meteen dat er geen plaats is voor het beleven van de puberteit. Kijken naar de vrouwen voor hun twintigste is zonder meer onbetamelijk. En dat moet verdorie niet gemakkelijk zijn als ik het zo lees. Mannen en vrouwen wassen zich gezamenlijk in de rivier. De vrouwen bedekken amper hun intieme delen en tonen zich dus zo goed als naakt aan de jonge mannen.

Ze moeten niet veel weten van de landbouw. De pot schaft melk, kaas en vlees. Niemand heeft grond in eigendom. Elk gezin krijgt jaarlijks een perceel toegewezen. Veel ambitie om te boeren is er niet. Vooral met de wetenschap in het achterhoofd dat ze in een volgend jaar op een andere plek zullen wonen. Het rondzwerven heeft zo zijn bedoelingen. Hun focus ligt op oorlog. Veel op dezelfde plaats blijven wonen is binnen deze context nefast. Het beoefenen van de landbouw zou de mannelijke strijdbaarheid kunnen doen afzwakken.

De oorlogskunde mag nooit vergeten worden! De landbouw heeft trouwens een sociaal aspect dat hen niet echt aanstaat. De rijkste en de machtigste boeren zullen de zwakke domineren en verdrijven. Het volk mag niet te keurig wonen. De Germanen mogen niet begerig koekeloeren naar geld en goed. Beschut zijn tegen hitte en koude is al meer dan voldoende. Elke vorm van welstand zal muiterij, tweedracht en gekrakeel doen ontstaan. Nee. Het is duidelijk beter om een goede eensgezindheid te behouden.

Het Duitse volkje vindt het prima als hun steden omringd zijn door woest en onbewoonbaar land. Ze hebben hun buren verdreven, zoveel is duidelijk. Niemand durft nog te wonen in hun nabijheid en zo zijn ze meteen ook zeker om niet om het geringste aangevallen te worden. De oorlogen spelen zich dus vaak af tussen de steden onderling, met de burgemeesters als legeraanvoerders en gezegend met de absolute macht om te heersen over het leven en dood van de eigen onderdanen.

Ook in tijden van vrede laten de voogden van de steden zich gelden als alleenheersers. Voor gemene overheden en magistraten is er geen plaats. De burgemeester regelt alle geschillen. Straatschenden en het uitstropen van mensen die niet van hun stad of land zijn, wordt niet als verkeerd bestempeld. Integendeel: het is voor de jongeren een kans om te oefenen en om de luiheid uit hun lijven te verdrijven. Van God en zijn geboden hebben ze nog geen weet. Het zijn heidenen. Ze volgen de wetten van de natuur. Zo is het totaal verkeerd om iemand te beroven die onschuldig is. Men mag niets aanrichten aan een ander wat men zelf niet graag zou ondergaan. Het is niet geoorloofd om het goed van een ander te beroven als dat het resultaat is van diens zweet en arbeid en als het allemaal eerlijk en met vaardigheid werd gespaard.

Hier in Vlaanderen hebben velen onder ons anno 2015 datzelfde Germaans bloed in zich. Ik ben er als de kippen bij om meer te leren over al die illustere voorvaderen. Al vroeg proberen die Germanen hun heerschappij uit te breiden. Ik moet daarbij aan de naam ‘Franken’ denken dat met verloop van tijd trouwens de maidennaam van Frankrijk zal genereren.

Schrijver Marcus van Vaernewyck haalt de oude geschriften van een monnik van de orde van de heilige Augustinus aan. Jacobus Philippus de Bergamo (1434-1520) schrijft in zijn ‘supplementum Chronicorum’ dat de Romeinen niet veel ontzag koesteren voor het volk van Duitsland en er niet al te veel problemen van verwachten. De Italianen hebben al werk en miserie genoeg met de Galliërs om zich nog zorgen te maken over de Germanen. Ze laten de Duitsers dan ook ongemoeid.

Onder de volkeren van de Duitse gebieden behoren de Saksen, de Westfalers en de Friezen, namen die op vandaag nog altijd erg bekend in de oren klinken. Onze koning is van Sachsen-Coburg. Friesland en Westfalen zijn gekende regio’s in Europa. De oude kronieken typeren de Sachsen als de vroomste en de meest strijdbare van allen. Het Saksenland strekt zich op haar hoogtepunt uit van de Elbe tot aan de Rijn.

Eigenlijk ben ik van plan om dit stuk oude geschiedenis over te slaan. Maar het boeit me meer dan ik kan vermoeden. Hier ligt verdorie een stuk vergeten geschiedenis klaar om ontgonnen te worden. Ik ga verder. De legende van de twee Ewalden prikkelt mijn nieuwsgierigheid. Wikipedia helpt me wat verder. In de 7de eeuw is er sprake van een blonde en een zwartharige Ewald en ze behoren tot de entourage van de prediker Willibrordus die ook bij ons actief is.

De Ewalden proberen de Saksen te bekeren tot het christelijk geloof. Zij trekken naar Westfalen om hen op andere gedachten te brengen. Het nieuwe geloof wil er maar niet in blijven, de Saksen blijven in hun oude rituelen vervallen, wat de predikers ook proberen. In 687 lopen de blonde en de zwarte tegen de lamp en sterven ze een marteldood.

Ik kom interessante wetenswaardigheden te weten bij het lezen van die oude histories. Het grote Germaanse land wordt in twee gesplitst door de Weser die nabij Bremen in de zee stroomt. Het gebied tussen de Elbe en de Weser wordt het Oostveld genoemd en zijn bewoners zijn Oostveldingen ofwel de Saksen. Tussen de Weser en de Rijn, de westelijke helft van Germanië, is het Westfeld. Hier wonen de Westveldingen. Tot deze Westveldingen behoren de de Oost- en de Westfriezen en de Oost- en Westgoten. De naam Westfalers zal met verloop van tijd het oude Westveldingen vervangen.

Wat er zich daar in Duitsland afspeelt, lijkt een ver van mijn bed show, maar dat is het helemaal niet. Karel de Grote voert rond de jaren 800 een langdurige oorlog tegen de Saksen en de Westveldingen in een poging om hen tot het christelijk geloof te brengen. Telkens worden de beloften om zich te bekeren gevolgd door het hervallen in de oude afgoderij. Het verplicht Karel om zijn mannetjes achter te laten en de boel in de gaten te houden. Hij stelt geheime, (vrije, rechtvaardige maar treffelijke) rechters aan en verleent hun alle macht om al degenen aan te pakken die afvallig zijn van het nieuwe geloof, meineden plegen of andere schandelijke daden bedrijven. Wie zich schuldig maakt, wordt gestraft met de bast.

Opgehangen aan een boom, zonder proces of voorafgaande ceremonie en het maakt niet uit of de gestrafte edel of onedel is. De rechter geeft niet de minste uitleg of verantwoording. Vaernewyck legt een relatie met de heimelijke rechtbanken van de 16de eeuw. ‘Veme’ of ‘veem’ wordt dergelijke vierschaar genoemd en de leden van de Veme worden in Duitsland ‘Scheffen’ genoemd, een term die bij ons in Vlaanderen uitgesproken wordt als ‘schepenen’.

De etymologie verwijst trouwens ook naar woorden zoals sceffino, scaffin en scepono. Ook het woord ‘chef’ komt hier dus vandaan. Ooit waren de Vemen zowat overal in Germanië terug te vinden. Met het verstrijken van de tijd komen er wel hervormingen en structuur in de rechtspraak en krijgen de schepenen bepaalde autoriteiten toegewezen om in bepaalde gevallen zelf schuldigen te straffen.

Het is een waslijst van tachtig bladzijden. Ik pik er de belangrijkste uit. Het afdwalen van de officiële godsdienst blijft taboe. Het aantasten van kerken, kerkhoven en koninklijke wegen, het omgaan met valsheid, het aantasten van kraamvrouwen. Ook dieven, moordenaars en brandstichters worden berecht door de schepenen.

Een nieuw hoofdstuk behandelt de Friezen die door mijn schrijver Vrieslanders worden genoemd. Denemarken en Vriesland grenzen aan elkaar. Het is een volkje van heidenen en ongelovige Thomassen. Een provincie aan het uiteinde van Germanië met een oever aan de grote zee. Van aan het eindpunt van de Rijn tot aan de zee van Dovico. Eigenlijk zijn de Friezen allemaal zelf Germanen. Maar hun stijl is totaal anders. Hun kleding en zeden gelijken niet aan die van hun zuidelijke buren.

Hun haren zijn kortgeknipt in de hals. Hoe edeler de stam, hoe hoger ze opgeschoren zijn. Kloek en sterk van leden, schoon van lichaam, wreed van gemoed en altijd maar bezig met het oefenen van de speren en met ijzeren geschut in hun velden. Vriesland zelf is vlak en vol met weiden. Hout is amper voorhanden zodat de Friezen turf moeten uitgraven, drogen en stoken om zich te warmen.

Het is een vrij volk. Geen heer die hen gebiedt. De Friezen zouden liever sterven dan hun vrijheid te verliezen. Ze kiezen zelf hun rechters die ze respecteren omdat ze werken met hun eigen wetten. Een mooie democratie nog voor het woord bestaat. Zuiverheid van geest en lichaam dragen ze in hun hart.

Dit is een fragment uit Boek 6 van De Kronieken van de Westhoek

Article Categories:
fragment uit deel 6
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Comments are closed.