14 april 1916. Vier Duitse deserteurs – infanteristen – waren erin geslaagd van weg te vluchten bij het front van Ieper. Na hun uniformen begraven en burgerkleren aangetrokken te hebben begaven ze zich op weg en in drie dagen bereikten ze de grensversperring. Een van hen bekleedde in het burgerlijk leven een vrij gewichtige betrekking. Hij sprak over grievende wijze over het tegenwoordige leven van de Duitse soldaten, maar ook met liefde over zijn land.
Wat hij meedeelde was merkwaardig en bevestigde het Brits communiqué van 12 april dat meldde dat de Duitsers die dag bij Ieper zware verliezen geleden hadden. ‘Ware er geen versperring en strenge surveillance in Vlaanderen, dan zouden de deserteurs niet bij honderden, maar bij duizenden toestromen’, vertelde hij en de anderen bevestigden het.
De strijd om Sint-Elooi bij Ieper was de laatste tijd hevig geweest. Van een groep van vierhonderdtweeëntachtig manschappen, waartoe zij behoorden waren er precies geteld negentien overgebleven. De anderen waren gesneuveld of zwaargewond, de meesten op maandag 27 maart.
Het bleef er een wanhopige strijd. De Brit was een dappere tegenstander. De oorlog was hem als een sport. De Britten lieten zich door niets afstoppen en de Duitsers wisten nu wel hoe deerlijk ze bedrogen werden toen men hen het Brits leger als minderwaardig had afgeschilderd. Toch waren deze Duitse soldaten van mening dat de beslissing niet bij Ieper zou vallen en de strijd niet daar zou uitgevochten worden.
Bij Sint-Elooi waren het dezelfde loopgraven die nu eens door de ene en dan weer door de andere veroverd werden. De Duitse overheid vreesde voor onlusten onder de eigen troepen en trad daarom zeer streng op. Dat was de aanleiding geweest tot de vlucht van deze mannen. Ze waren zelf in een opstootje verwikkeld geweest. Het begon over het voedsel. De deserteurs lieten me het brood zien dat ze kregen. Een bakker aan deze zijde van de grens onderzocht het en constateerde dat het gebakken was van maïs en tarwe van zeer slechte kwaliteit. De Duitsers vertelden dat er voortdurend klachten kwamen over het eten.
Zo was dat ook het geval geweest voor hun vlucht. Een luitenant was tegen hen uitgevaren en gezegd dat het voedsel opperbest was. Toen kregen ze blikjes met geconserveerd vlees dat echter hevige dorst opwekte. Het op post staan was een kwelling, want het water uit grachten en beken was gevaarlijk met het oog op besmetting door het groot aantal lijken. Er ontstond een nieuwe woordenwisseling en de luitenant sloeg een soldaat.
Maar deze gaf hem met een gummistok een klap in de nek terug. Er was een streng onderzoek gevolgd en ze hadden negen van hun kameraden aan het front zien fusilleren. Een tweede oorzaak van verzet was het gevoel dat ze als vee beschouwd werden. De aanval op Sint-Elooi was op die manier gebeurd. Ze moesten met de bajonet op de Britten instormen. Hun eigen mannen stonden achter hen met het bevel van te vuren op iedereen die wilde wijken.
De Duitse infanteristen hadden dus de dood zowel achter als voor hen. Wat kon men dan anders doen dan gehoorzamen? Verder legde men strenge straffen op aan gekende weifelaars. Men gaf hen de gevaarlijkste plaatsen bij de luisterposten, op plaatsen waar voortdurend mijnontploffingen dreigden en gebruikten ze voor het vuilste werk. Ook heerste ontevredenheid over de weinige consideratie voor zieken.
Een van hun kameraden was stijf van de reuma en afgemat. Toch kon hij geen rust krijgen en moest hij op post staan. Ze hadden nog wacht voor hem gedaan zodat hij wat kon rusten,. De deserteurs wanhoopten over het einde van de strijd. Alles wat men hen had voorgespiegeld was anders uitgekomen. Na de laatste slachting van maandag waren ze op weg gegaan naar de grens. Moesten ze door de gendarmen gegrepen zijn, och ze verkozen een snelle dood boven het leven aan het front.
Een van hen sprak plat Duits wat hem in Vlaanderen goed van pas kwam. In de nacht van dinsdag op woensdag waagden ze de tocht over de grens, even ten oosten van Middelburg. Ze schoven een ton tussen de elektrische draad en een gummi chauffeursjas werd binnenin de ton gelegd. De overtocht lukte uitstekend.
–
Uit ‘De Grote Kroniek van Ieper’ – werk in opbouw


