banner
mei 22, 2020
2876 Views

De perikelen van Jeanne Panne

Written by
banner

Het Nieuwpoortse stadsleven in de 16de en 17de eeuw krijgt veel te maken met toverij en hekserij. Geloof en bijgeloof scheren hoge toppen. Het gerecht in Vlaanderen probeert daarbij kort op de bal te spelen. Zowat in alle westerse landen treedt men scherp op tegen heksen en hun tovertoestanden. Dat is zowel het geval bij de katholieken als bij de protestanten. Dat occulte gedoe ontbolstert zich als een heuse plaag waar vooral mannen en vrouwen van slecht gedrag zich aan bezondigen. Hun bijgelovige en angstaanjagende verhalen gaan er in als zoete koek bij het ongeletterde volk.

Van overheidswege moeten ze er wel met de grove bijl op inhakken. Dat beweert René Dumon in elk geval. Elke vervolging in dat verband kan echter niet starten zonder de voorafgaande toelating van de Raad van Vlaanderen die er toch voor kiest om omzichtig te werk te gaan. Een houding die niet naar de zin is van veel plaatselijke overheden in Vlaanderen die erop aandringen om rechterlijke vervolgingen te kunnen inspannen zonder het schoonmoederschap van de Raad.

Pas op 21 april 1608 kent aartshertog Albrecht aan de Nieuwpoortse wetheren de feitelijke macht toe om de misdaad van toverij rechterlijk te vervolgen zonder voorafgaand advies van de Raad van Vlaanderen. Het impliceert dat de magistraten de betichten scherp mogen examineren, martelen, hen te verhoren en te veroordelen of kwijtschelding te verlenen aangaande hun abnormale toverpraktijken. Dat resulteert tussen 1580 en 1660 in 28 processen die aflopen met de doodstraf. 11 wegens toverij, 13 wegens hekserij, 2 omwille van betovering van dieren en 2 wegens heiligschennis en godslastering.

Fruitkoopman Jacob Cambier
Om de lezer een idee te geven over hoe zo’n proces verliep haal ik hier het voorbeeld aan van het geding tegen de 58-jarige Jacob Cambier, een fruitkoopman afkomstig van Diksmuide en woonachtig in Nieuwpoort. Een verbijsterend relaas hoe ongelooflijk bijgelovig de wereld toen zijn gang ging. Cambier had tien jaar geleden God verloochend en een verbond gesloten met de duivel omdat die een druppel bloed uit zijn rechterdij aftapte.

De duivel had beloofd om hem onzichtbaar te maken wanneer hij dat maar wenste, samen met een potje grauwe zalf om er zijn gruwelijk ding mee te doen. Daarmee bestreek Jacob met zijn kwade hand en zijn zalf de koeien waarop het vee stelselmatig begon te sterven. Hij was zeven jaar geleden op een bezemstok naar Oostduinkerke gevlogen en daar het jong meisje Margareta Casteele betoverd in zoverre dat ze samen alle soort van ondeugden met elkaar bedreven. Zijn kwade hand had hij ook gelegd op de zwangere vissersvrouw Maria Anna die daarop een kind baarde met zes vingers aan de linkerhand en één oog in het midden van zijn voorhoofd. Cambier was betrapt van bokkensprongen te maken met zijn geit Tanne die in zijn kamer sliep en zeker zijn duivelin moest zijn.

De beschuldigde had het geld van zijn buurman Jacobs Synaeve in paardenstront doen veranderen met daarna nog enkele andere bezemtochten naar Westende en andere plaatsen ondernomen. De uitspraak voor zoveel misdrijven is navenant. Jacob Cambier hoort het verdict ongetwijfeld verschrikt aan. Misschien nog even meegeven dat hij bovenvermelde beschuldigingen bekend had, liever dat dan gefolterd te worden op de pijnbank. Ze zullen hem nu naar de markt van de stad voeren en hem levend verbranden. Daarna zal zijn lijk bij middel van een haak naar het galgenveld gesleurd worden en zal hij dienen als voorbeeld voor de anderen.

Aanpappen met de duivel
De andere processen lijken er allemaal een beetje op. De beschuldigden krijgen de aanklacht van aangepapt te hebben met de duivel, dat ze van slechte zeden zijn, jongens en meisjes bederven en andere personen in hun eer en integriteit aanranden. En omdat niemand er iets van begrijpt moet dat dus wel het werk van de duivel zijn. Van pedoseksuelen en seksmaniakken hebben ze in die tijd duidelijk nog niet gehoord. Het bekendste proces is dat van ‘Jeanne Panne’, geboren Johanna of Jeanne Dedeystere.

Geboren in 1593 zal ze op haar zevenenvijftig terechtgesteld worden. Twee jaar later, op 10 februari 1652 is het de beurt aan haar vriendin Mayken Tooris, ook bekend als ‘Nassel’, geboren in Nieuwpoort in 1594. Jeanne Dedeystere, de dochter van Jan Dedeystere die in Sint-Joris ook al de naam heeft van een tovenaar te zijn, is de weduwe van Jan Panne, de zoon van Joris Panne die heel zijn leven diende als cipier in de gevangenis. Mayken was de echtgenote van Pieter Carton maar ze liet hem in de steek. Beide vrouwen behoren tot de volksklasse, een school hebben ze zelden of nooit van binnenin gezien.

Het is in die tijd de gewoonte dat het volk tuk is op processen die vermoedelijk zullen uitdraaien op de doodstraf. Een primitieve bevolking die zich als het ware aan platvloers ramptoerisme bezondigt. Als er sprake is van een dergelijk geding in het stadhuis, de zetel van de rechtbank dan zien we her en der samenscholingen langs de straten om toch maar niets te missen van de stoet die de veroordeelde persoon naar de markt begeleidt. Straks zullen ze allen aanwezig zijn bij de terechtstelling want na de uitspraak voeren ze de terdoodveroordeelde door de Langestraat naar de grote markt, waar het nu verwensingen en vervloekingen regent op de kap van het slachtoffer dat straks zal sterven.

De brandstapel en het galgenveld
Jeanne en Mayken zullen er in hun jonge jaren vaak zelf van de partij geweest zijn om dergelijke tonelen bij te wonen. Ze weten dan ook maar al te goed wat hen te wachten staat. De brandstapel, het galgenveld. En toch stevenen ze er recht naartoe tijdens hun levens. Jeanne is 21 en Mayken 20 als ze op 11 februari 1614 de opknoping meemaken van de 23-jarige Maraud De Bois, een jongen van hun eigen leeftijd die op het laatste van zijn leven nog met een stenen kan gooide naar cipier Joris Panne. Mayken leurt met vis. Voor haar blijven de meeste deuren gesloten.

Volgens de inwoners bederft ze de jongelingen van de stad met haar zedeloos gedrag. Omdat ik er toch wel het fijne van wil weten ga ik op zoek naar haar akte van beschuldiging. Lang moet ik niet zoeken; lees maar hoe ik dat oud Vlaams een beetje in mijn eigen woorden transformeer: ‘ze heeft God verraden en de kerk en de hele santenboetiek serieus in de steek gelaten. Met haar kwade en boze geest was ze de vijand van de menselijke natuur. Ze verkocht haar lichaam 19 jaar geleden aan een puber van zestien die de duivel in persoon bleek te zijn. In ruil voor een mand garnalen kreeg ze een duivelsplek onder haar rechterborst en verkocht ze haar ziel aan hem.

Voortaan zou ze met garnalen en verse vis leuren in de steden van Veurne, Ieper en andere plaatsen. ’s Nachts reed ze naar verluidt rond in een koets getrokken door vier boze paarden. En ze leefde samen met een man die volgens haar eigen getuigenis stonk als een bok. Met hem heeft ze meermaals vleselijke geslachtsdaden gehad die ingingen tegen elke schroom of gêne en tegen de vrouwelijke eerbaarheid. Ze vloog als een boze geest door de stad en over het kasteelland, danste, fuifde en dronk bier met eerbare mannen. En daarbij vergiftigde ze velen van hen met een teug gebrande wijn. Zo bijvoorbeeld bezorgde ze een vloek aan chirurgijn Joos de Cock. En gaf ze een giftige appel aan het kind van Guillielmus de Man van de Hoogstraat. Vermomd als een koppel kraaien heeft ze het leven van een aantal vissers op zee zuur gemaakt en hun schepen doen zinken.’

De perikelen van Jeanne Panne
Het levensverhaal en de perikelen van Jeanne Panne zijn ook wel de moeite waard om te vermelden. Zij en haar man baten een bakkerij uit in de Sinte-Mariestraat (nu de Recollettenstraat) en produceren tijdens hun huwelijk elf kinderen. Tien van die kinderen zullen een vroegtijdige natuurlijke dood sterven, haar man overlijdt in zijn vijftiger jaren. Jeannes lichaam vertoont allerhande geboorteplekken en zweren. Zo heeft ze een knoest van een rode plek onder haar rechter wenkbrauw. En dus moet ze volgens haar dichte omgeving wel een heks zijn. Na een klacht van de moeder van haar overleden knecht krijgt ze diens dood in haar schoot geworpen nadat ze hem zou bezocht hebben.

Op 10 mei belandt Jeanne Panne op de pijnbank. Een onderzoek van haar rode plek toont aan dat die ongevoelig is voor speldenprikken. Het duidelijk bewijs van een duivels stigma is geleverd. Deze vrouw heeft een pact gesloten met de duivel. Na drie dagen van foltering en pijniging legt ze moegestreden bekentenissen af. Op 16 mei 1650 eindigt ze haar menselijke bestaan op de brandstapel. De kosten van haar proces worden vergoed met de verkoop van haar eigendommen. De schrijver merkt op dat er van een doorgedreven verbranding in realiteit weinig terechtkomt. Ik moet dat enigszins relativeren.

De veroordeelden zijn vermoedelijk reeds verstikt door de rook voor de vlammen aan hun lijf beginnen te sarren. Van zodra men er zeker van is dat de dood een feite is, doven ze de vlammen. Daarna slepen ze het lijk aan een haak tot aan het Galgenveld bij Groenendijk om het zwartgeblakerd kadaver aan een staak op te hangen. Halverwege de 17de eeuw komt er een einde aan het gebruik van de brandstapel. De twee vermelde vrouwen zullen wellicht de laatsten zijn die er op terechtkwamen. Rond die tijd zijn de scherpe kantjes van de hekserij wat aan het verminderen maar absoluut nog niet uitgestorven.

Geen genade met zelfmoordenaars
De kerk van die tijd loopt niet hoog op met zelfmoordenaars. En dat is dan nog een understatement van mijn kant. Ik schreef ooit dat het kerkhof van Nieuwpoort rond het jaar 1400 tijdelijk moest sluiten omdat de pastoor het gewaagd had van daar een zelfmoordenaar te begraven. De begraafplaats zou pas weer opengesteld worden na het herinwijden van de deken. In de 17de eeuw is er eigenlijk nog niet veel veranderd met de aversie tegen zelfmoord.

Dat kan ik leren uit een document van 1623. Een Nieuwpoortnaar heeft zich opgehangen achter zijn woning. Zijn lijk zal drie dagen onaangeroerd blijven liggen op de plaats waar het aangetroffen werd. Dat gebeurt onder strenge bewaking tot het gerecht de zaak de zaak kan onderzoeken. Eerst en vooral moet het gerecht controleren of het hier gaat om een geval van zinsverbijstering. Nabestaanden of een speciaal aangestelde advocaat moeten dan zogezegd pleiten ‘voor het lijk’. Elk negatief antwoord is sowieso slecht voor de dode die zichzelf ten schande heeft gemaakt.

Van zodra dit ‘negatief’ vonnis geveld is schieten de gerechtsdienaren aan het werk. Ze slaan een koord om de hals van het lijk en sleuren het met de koord naar de voordeur of de voorpoort. Men graaft ter plekke een diepe put onder de drempel om het lijk tot op de straat te kunnen trekken. Het kadaver passeert dus wel degelijk onder de drempel. Op straat staat dan al een ‘heurde’ klaar een soort slede gemaakt van wissen, ingespannen achter twee paarden die het kadaver naar het Galgenveld trekken. Van respect kan ik niet gewagen, hier voert alleen minachting voor de dode de boventoon.

Op de dodenakker hangen ze nu het lichaam met het hoofd naar beneden terwijl de voeten in een ‘micke’ gebonden zijn. Het hoofd zelf dient aan een ‘spriet’ (een soort vork) gehangen te worden. De zelfmoordenaar hier in kwestie is een zekere Jan Leus die zich op 19 februari van kant maakte. Het vonnis vermeldt expliciet dat dit schandebetoon bedoeld is om anderen af te schrikken. De familie kan desgevallend het lijk afkopen om het ergens privé te kunnen begraven. Aan deze praktijken zal pas in 1782 een einde gemaakt worden. In het vervolg zal de zelfmoordenaar zonder enige vorm van ceremonie in de grond gestopt mogen worden.

Uit deel 10 van ‘De Kronieken van de Westhoek’ – verschijnt in oktober 2020 –

Article Categories:
terug naar het verleden
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *