Het jaar 1764. De koophandel van Oostende groeit nu ongestoord verder. Dat kunnen ze natuurlijk alleen maar toeschrijven aan het water van de zee en dat van de vaart naar Brugge. Wat zou dat niet betekenen voor de welvaart indien ze hun stad ook eens zou kunnen beschikken over een degelijke landweg die Oostende zou kunnen verbinden met het binnenland, het zuiden van West-Vlaanderen en met Frankrijk? Voor de vishandel zou dat van enorm belang kunnen zijn, uiteraard is dat ook het geval voor alle overzeese koopwaar die hier aan land komt.
Het magistraat laat een ontwerp opmaken voor de aanleg van een kasseiweg tussen Oostende en Wijnendale, dwars door de Sinte-Catharinapolder. Daar zou de nieuwe weg kunnen aansluiten op de nieuwe weg in de buurt van Torhout. Ik vraag me af welke deze nieuwe weg Bowens bedoelt en ga uit op onderzoek. Als we anno 2020 argeloos over onze West-Vlaamse wegen rijden lijkt het me voor mijn lezers ook wel leuk om te weten wanneer die ooit werden aangelegd. Wikipedia brengt me het antwoord.
We danken die wegen aan een zekere Karel Filips Theodoor, een Duitser uit het huis Wittelsbach met een waslijst aan functies en eretitels die zich uitspreiden tot in de Nederlanden. Hij financiert de aanleg van de steenwegen die Brugge, Torhout, Roeselare en Menen met elkaar verbinden en nu bekendstaat als de N32. De werken zouden rond 1752 afgewerkt geweest zijn. De brave man doet dat natuurlijk niet voor onze schone ogen en zal nu grof geld kunnen verdienen dankzij de diverse tolkantoren die hij onderweg installeert.
Dat Oostende nu op deze bestaande verkeersader wil aansluiten is dus helemaal geen gek idee. Een blik op Google Maps leert me dan ik hier aan het schrijven ben over de latere N33 die nu Oostende binnenkomt door het welbekende kilometerslange winkelcentrum. Het stadsbestuur stuurt pensionaris De Grysperre naar Brussel om een vergunning los te peuteren voor de aanleg van deze ‘N33’. Wanneer het gerucht van de Oostendse plannen uitlekt is het kot te klein bij een aantal tenoren. De stad Brugge, het college van het Vrije, de geestelijke en wereldlijke staten kanten zich ertegen.
De goede en gegronde argumentatie waarmee Oostende al die tegenkantingen weerlegt zorgt er voor dat het hof van Brussel de gevraagde vergunning hoe dan ook verleent. Van een MER-studie hebben ze in die dagen natuurlijk nog niet gehoord, gelukkig, anders zou die weg er nu nog niet gelegen hebben. Ik denk daarbij onbewust aan dat ontbrekend stukje snelweg tussen Ieper en Veurne en de knoeiboel die ze er in de 20ste-21ste eeuw van maken.
Dit is een fragment uit Boek 10 van De Kronieken van de Westhoek


