Op 3 januari 1806 rond 10u heeft een groot onweer op diverse plaatsen grote schade aangericht. Zo bijvoorbeeld is de bliksem ingeslagen op de kerk van Geluveld en werd het gebouw helemaal in de as gelegd zonder dat er een middel gevonden werd om die te blussen. In maart verkochten de Fransen onze Magdalenakapel en die werd nu afgebroken door François Delieu en Angelus Ervein. De marktdag van 28 maart was best een bijzondere gebeurtenis.
Er was veel volk op de been en omdat veel van de bezoekers vanuit het Frans gebied naar de markt kwamen, moesten ze natuurlijk allemaal voorbij over de Leiebrug. Op het drukste uur van de marktdag, te weten rond 7u moest er juist een schip voorbijvaren en moest er veel volk op de brug blijven wachten. En omdat die toch wel in een bijzonder slechte toestand was door het voortdurend afbreken en heropbouwen volgens de troepen die het hier voor het zeggen hadden, is deze brug bij het openen ineengezakt en vielen er zestien mensen in het water van de Leie.
We mogen alle lof geven aan God dat er niet één mens het leven verloor, vooral omdat de waterstand op dat moment bijzonder hoog was. Een zekere Gatem met de bijnaam ‘paruyke’ sprong direct in het water. De man was een ervaren zwemmer en heeft de drenkelingen met een beetje hulp van een aantal boten een na een uit het water gered. Hij kreeg als compensatie van de stad het gebruik van de bark om voor een half jaar al de passanten, hetzij burgers of vreemdelingen de Leie over te brengen, voor zijn eigen profijt.
In april 1806 begonnen de plafonneerders terug te werken in de kerk en ze zijn bezig gebleven tot voor de zomer. Het oksaal werd dit jaar afgewerkt door een zekere Casaer van Kortrijk en het metselwerk door Wervikaan Augustinus de Leire. Het timmerwerk werd gedaan door Augustinus Ferhand, ook al een Wervikaan. De kerk werd voor een eerste maal geverfd door een zekere Spinnewiel, een parochiaan die afkomstig was van Waasten.
De nieuwe voute aan de rechterkant van de kerk werd ook afgewerkt in 1806. Die werd bekostigd door mijnheer Onraedt die toentertijd pastoor was van Wervik. Zijn broer schonk de marmeren steen gezeide ‘de kuippe’. De doopvont was niet nieuw maar kwam uit een kerk van Kortrijk. Het eerste kind dat erin gedoopt werd kreeg mijnheer Onraedt als peter en juffrouw Cols als meter.
In augustus 1807 was er serieus sprake van een nieuwe brug, iets wat niet veel later bevestigd werd. Het werk werd uitbesteed en toegekend aan aan baas-timmerman uit Rijsel. De brug moest vier voeten hoog boven het water staan (1,20 meter), net zoals de voorgaande. Door die keuze kwam er protest van de burgers tegenover de overheden. De ingenieur en de meesters van de watermolens te Komen oordeelden dat deze te lage brug er de oorzaak van zou zijn dat het water niet zo snel van de andere kant zou kunnen doorschieten.
De Wervikse burgerij verkoos eigenlijk een stenen brug. Die was veel sterker en zou langer meegaan. Ze trokken naar de verantwoordelijken van de watermolens in Komen om hen daarvan te overtuigen en om samen een stenen brug te promoten bij de overheden. Dat steen zou veel beter zijn voor de doorgang van het water vergeleken met die houten constructie. Dat voorstel werd door de overheid geaccepteerd maar er ontstonden nu troebelen met de mensen in de onmiddellijke omgeving van de brug. Omdat de straat moest opgehoogd worden om te passen met de hoogte van de stenen brug.
Hun huizen zouden nu allemaal veranderen in kelders, wat achteraf ook gebleken is want wie vooraf zo kon binnenstappen in zijn woning moest na de werken daarvoor vier trappen naar beneden gaan. De onderkant van hun ramen kwam haast op het niveau van de straat van diegenen die naast de brug woonden. Toch werd de brug op zijn nieuwe hoogte en in steen gebouwd ondanks al de schade en de kosten aan de naastgelegen huizen. Dit jaar heeft mijnheer Persegalle, geboortig van Oudenaarde hier een zeepziederij opgericht welke zeker in lange jaren niet gezien was geweest. Ook Wervikaan Petrus Traneel begon een eigen zeepziederij.
Op Aswoensdag 12 februari 1814 zijn de eerste geallieerde troepen in onze stad gekomen. Voorposten van de Hannoverse Ulanen. Heel Wervik stond overhoop van blijdschap, alle inwoners van heel het land keken uit naar hun komst. Niemand was hier Fransgezind, en al de heren van de administratie uit Menen, Wervik en Kortrijk liet de klokken luiden om uiting te geven aan hun blijdschap. Omdat we hier langs de frontieren woonden en er enkel sprake was van voorposten hebben de burgers zwaar moeten betalen voor hun blijdschap.
De Fransen bezetten dan nog Ieper en begonnen nu weer te patrouilleren van Ieper naar Wervik en van Wervik naar Menen en ze lieten ons allen contributies betalen. Ze hadden ook wel gezien dat hier nog onvoldoende geallieerden waren om het over en weer lopen te beletten. Wanneer de Fransen gewaar werden dat er een aanzienlijke troepenmacht op komst was, zijn ze met hele zwermen naar Gent gelopen om te plunderen en na Gent haastten ze zich terug naar Kortrijk.
Boven Kortrijk kwam het tot een fikse schermutseling met de geallieerden die hen in tang namen. Vreemd genoeg hebben de Fransen nog voor één dag het meesterschap in Kortrijk behouden nadat ze gezorgd hadden voor veel doden en gekwetsten bij de geallieerden.
Dit is een fragment uit Boek 10 van De Kronieken van de Westhoek


