September 1647. Terwijl de Fransen van maarschalk De Gassion de stad Lens belegeren laten de Spanjaarden zich evenmin onbetuigd. Op de 29ste arriveert markies de Fondrati met 3.000 mannen om Diksmuide te komen ontzetten. Hij maakt zich al terstond meester van de Hogebrug en de nabijgelegen halve maan. Zijn collega, markies de Caracena blokkeert ondertussen met zijn eigen legerkorps de toegangswegen naar de stad.
De Fransen zitten door dat manoeuvre met hun garnizoen van 3.060 mannen opgesloten en vragen nu natuurlijk om hulp. Maarschalk de Rantsau is zo te zien de aangewezen persoon. Op 11 oktober slaan hij en zijn 15.000 soldaten hun kamp neer te Lo. Twee dagen later verhuizen ze naar de Knokke, maar het blijkt al snel dat ze via deze route Diksmuide nooit zullen kunnen ontzetten, vandaar ook zijn beslissing om al na twee dagen terug te keren naar Lo. Het is enkel maar gissen waarom de Fransen op de 16de al beslissen om Diksmuide in de handen van de Spanjaarden uit te leveren. De stad zal vermoedelijk van onvoldoende strategisch belang zijn om er een hevige confrontatie en veel mensenlevens aan op te offeren.
Tijdens hun belegering van Diksmuide strippen ze als het ware het hele Blootte. Daarbij maken de soldaten alle huizen in de streek zowat gelijk met de grond. Ook het Houtland ondergaat een gelijkaardig scenario. Dat omvangrijk Frans leger te Lo is al net zo schadelijk voor mens, dier, oogsten en eigendommen. Als 15.000 vreemde snuiters aan het plunderen slaan, dan zal je dat wel geweten hebben. Er moet vermoedelijk geen enkele landman in heel Veurne-Ambacht zijn die het nog aandurft om in zijn huis te blijven.
De buitenmensen vluchten naar besloten steden of concentreren zich op enkele parochies waar ze zelf wachten organiseren maar hoe dan ook in de penarie zitten en het riskeren om op elk moment van de dag of de nacht hun goed te verliezen. Het is amper te beschrijven welke armoede al die verwoestingen met zich meebrengen voor de inwoners van de kasselrij. De oogsten worden vervreemd, het meeste vee weggedreven terwijl de mensen en in het bijzonder de vrouwen uiterst kwalijk behandeld worden.
Nadat de Spanjaarden hun posities enkele dagen hebben aangehouden voor en rond Diksmuide en ze de stad van alles voorzien hebben, trekken ze weer naar andere oorden. Het Frans leger blijft nog ter plekke in Lo tot de 3de november van 1647, wanneer het regenachtig en koud weer het garnizoen verplicht om te vertrekken. Het signaal voor de weggebleven landlieden om nu eindelijk het thuisfront op te zoeken.
Ze vinden er alleen maar lege schuren en daardoor moet hun vee de hele winter buiten blijven staan, in de weiden waar het gras in overvloed teert. Het arm volk moet echter niet denken van eindelijk eens met rust gelaten te worden. Groepjes Spaanse huurlingen zwerven op en af door de kasselrij en ze zorgen op hun vertrouwde manier wel weer voor dat ze nemen wat ze vinden, overlast of hoe kan je hun praktijken anders catalogeren?
En ze zijn dan nog niet de enigen die zorgen voor eindeloze ellende. De soldaten krijgen nog het kwalijk gezelschap van allerhande slecht volk, schelmen en straatschenders die nog meest van al kwaad aanrichten. Ze houden zich meestal op in de omgeving van de bossen bij de Moeren. In tijden van nood zorgen ze dat ze er rap de plaat kunnen poetsen. De plek blijkt uiterst geschikt voor de schoeljes. Want van zodra de Moeren vol water lopen, vloeien de meersen over waardoor de nietsnutten zich met bootjes kunnen verschansen tussen het riet.
Bij het minste onraad varen ze verder dieper de Moeren in, langs de grachten tussen het hoog riet tot ze buiten het zicht van hun vervolgers zijn. Ze maken zich daarmee baas over de diepe Moeren. Veel mensen en voorbij reizende lieden die door de schelmen gekidnapt worden belanden hier op verborgen plekken tussen het riet. De sukkelaars ondergaan er de meest extreme pijnigingen en folteringen tot het crapuul de grote sommen bekomt welke ze opeist.
Een bende van zeven rovers vindt er niets beter op dan zijn verblijf te kiezen op de zoldering van de kerk in de Moeren. Ze slepen er hun gevangenen naartoe, op de gewelven van de bewuste kerk waar ze hen dan twee à drie dagen zonder eten of drinken laten zitten. Dat de Moeren vol water staan zal de gevangenen niet helpen om hun dorst te lessen vermits het water hier uit de zee komt en dus absoluut ondrinkbaar is.
Al die dagen zwerven de kwaaddoeners dan door de streek op zoek naar nieuwe gijzelaars en extra buit. En wanneer ze dan eindelijk terugkeren mogen hun hongerlijdende gevangen verder op hun kin kloppen. Tot ze uiteindelijk met geld over de brug komen. Dat zijn een beetje de verderfelijke en ongeoorloofde praktijken die ze toepassen in die winter van 1647-1648. Tijdens de decembermaand arriveren de schelmen met hun bootje aan de kerk van de Moeren na een rooftocht in de streek.
Ze ontschepen hun buit en knopen hun boot vast aan de steger van de gewelven van hun kerk. Maar ’s nachts krijgen ze onverwacht te maken met een zware noordwesterstorm die hun sloep losrukt van de rand waardoor die wegdrijft op het water van de Moeren. De rovers hebben er de hele nacht gerust zonder te beseffen dat ze de volgende ochtend met een probleem zullen ontwaken. Wanneer ze willen vertrekken stellen ze tot hun ontzetting vast dat hun boot verdwenen is en zijn ze dus wel verplicht om op hun ‘eiland’ te blijven. Hun voorraad aan proviand is niet bepaald groot zodat ze niet lang kunnen wachten om hun probleem kenbaar te maken. Roepen en schieten in de lucht, een geluid van alle duivels dat wel een beetje bij hen past. Ze hopen vooral om bevrijd te worden door enkele vissers die met hun schuiten door de Moeren varen.
Maar die zitten met de schrik dat de rovers wel eens hun schepen in beslag zouden durven nemen. En bovendien beseffen ze natuurlijk wel dat de inwoners beter af zijn als ze die schurken netjes ter plekke laten. Het resultaat is dan ook wel ontnuchterend. Ze laten de rovers droogjes aan hun lot over, tot ze zullen verhongeren en van de honger gaan sterven.
Of die mannen dan al dan niet gijzelaars bij zich hadden interesseert Pauwel niet. Feit is wel dat de vissers onder de leiding van Joos Leeuw van Ghyvelde na enige tijd – drie weken – niet langer geruchten horen vanuit de kerk en nu durven ze zich eindelijk te wagen om naar Moerkerke te varen. Ze vinden er de nietsnutten op de gewelven van de kerk, zo dood als pieren, ontkleden de lijken, plunderen wat ze er aantreffen en delen de buit onder elkaar. Later zal het gerucht van deze toestand de gouverneur ertoe aanzetten om de Moerkerke tot aan het watervlak af te breken.
Nadat de almachtige God onze stad en kasselrij zo ongenadig getrakteerd heeft met alle onheil van de oorlog en sterfte maakt hij nu zijn trio compleet: de inwoners krijgen nu ook nog te maken met een derde plaag, meer bepaald een dure tijd. De eetwaren stijgen zo in prijs dat ze voor geld nog nauwelijks te bekomen zijn.
Te veel vraag en amper aanbod, God de vader heeft er natuurlijk niets mee te maken maar krijgt toch de schuld. De tarwe kost nu 26 gulden per zak of razier. Voor het schapenvlees vragen ze nu al 10 stuivers per pond en voor de boter 14 stuivers. Met de rest van de eetwaren is de prijs navenant. Onbetaalbaar en die situatie veroorzaakt natuurlijk grote ellende onder de gemeente. Het merendeel van de landlieden is al zijn graan kwijtgespeeld aan de woekerende soldaten en ziet zich nu verplicht om er zelf te moeten kopen om brood op de plank te kunnen krijgen.
Daarbij komt nog dat de kwaliteit van de tarwekorrels abominabel is, zo licht dat er nauwelijks meel in zit. Gelukkig zijn er nog de Hollanders die nogal wat graan, vlees, boter en andere eetwaren aanvoeren vanuit Engeland, Schotland en andere landen, want anders zouden de mensen zeker gestorven zijn van de honger. Vooral de arme mensen lijden het meest, op het platteland leven er duizenden mensen die alles kwijt zijn en die de voorbije drie à vier maanden geen brood meer gegeten hebben. Ze moeten zich in leven proberen te houden met gezoden paardenbonen, boekweikoeken, gezoden wortelen, appelen en andere minderwaardige spijzen.
–
Een voorlopig fragment uit deel 10 van ‘De Kronieken van de Westhoek’.


