Ik leef in een tijd gevuld met verwarring. Niemand weet nog waar hij aan toe is. En daarbij komt nu nog dat schudden van de bodem. De nieuwgezinden zien het fenomeen als een duidelijk signaal van de Heer, een voorteken van grote veranderingen. En dat met al die malcontenten hier in Vlaanderen. Wat zijn ze toch bijgelovig. Met pak en zak vertrekken veel calvinisten uit Gent richting Holland, Zeeland en andere plaatsen in het noorden. De bevende grond wordt te heet onder hun voeten.
Tussen Pasen en Sinksen van 1580 blijft het rommelen in Brugge. Een figuurlijke naschok als het ware. Theologische zever tussen predikanten over de interpretatie van het juiste geloof. Ik kan met moeite weerstaan aan de verleiding om hier het woord ‘sprookje’ te plaatsen in plaats van ‘geloof’. Tijdens de julimaand proberen de malcontenten met vele duizenden Gent te veroveren, maar hun pogingen mislukken door de gietende regen. Maar toch is er sprake van politieke veranderingen in Gent. Filips II, de koning van Spanje laat nog eens van zich spreken. Door het afwijzen van de calvinisten is hij zijn gezag over de Nederlanden kwijtgespeeld. De katholieke notabelen hebben allemaal hun eed aan hem gezworen, maar wie van calvinistische strekking was, werd daar nooit om gevraagd.
Maar veel van die zogezegde katholieke eedafleggingen waren nep en dat was ook de reden waarom zoveel verstokte calvinisten toch in het bestuur van de steden geraakt waren. Eventjes de schijn van katholiek ophouden bij de eedaflegging was niet moeilijk en niemand kon per slot van rekening in hun ziel kijken. Filips II wil nu iets doen aan al die ‘geveinsde personen en sekteleden die een onwettige rechtzegging hebben afgelegd’. Door die praktijk is de Raad van Vlaanderen te Gent volledig onwettig en wordt die nu ook officieel ‘van gener macht en waarde verklaard’.
Er wordt een nieuwe raad opgericht die zal zetelen in Douai. Het wordt aan iedereen in Vlaanderen verboden om nog verder zaken in te leiden bij de nu illegaal geworden Raad te Gent. De raadsheren van de oude Raad kunnen verder in functie blijven en hun ambt behouden, maar dan dienen ze zich eerst aan te melden in Douai. De weerspannige Staten van de Nederlanden lachen natuurlijk met deze koninklijke manoeuvres. Ze stellen op hun beurt een provinciale raad samen te Gent en dat ondanks hun voornemen om alle provinciale raden af te schaffen en te laten vervangen door een algemene raad die zou bestaan uit edelen van het land; een keure van ouderlingen en rechtsgeleerden.
Op 10 augustus 1580 wordt er een bijzondere biddag uitgeschreven. De calvinisten richten een aantal vragen tot God en zullen eens een hele dag bidden dat de stukken ervan af vliegen. Ze vragen hem drie zaken. Dat onze landen goed bestuurd zouden mogen worden, dat de vijand zou mogen gekrenkt worden en dat de nieuwe Gentse raad over de nodige wijsheid zou kunnen beschikken. God zal zich er vermoedelijk niet te veel van aantrekken. Enfin, dat is toch wat ik er zelf over denk.
Ik ben getuige van een politieke stoelendans. Gevluchte en verbannen raadsheren worden vervangen door nieuwe namen. Van Male boomt enkele bladzijden verder over al deze veranderingen van griffiers, ontvangers, notabelen en raadsheren in de nieuwe Raad van Vlaanderen. Veel palaver op papier natuurlijk. Wetten die geen steek houden, tegenstrijdig in deze rebelse staten want Willem van Oranje installeert wat later een eigen rekenkamer voor zijn staten. De leiding van deze rekenkamer wordt opgenomen door de heren Taffin en door de Gentenaar Lieven Dierix. Ik vertel er nog even bij dat de officiële koninklijke rekenkamer voor de officiële Nederlanden zich in Rijsel bevindt.
In Douai gaat het ander parlement van start. Die zotte geschiedenis toch. ‘De koninklijke raad’ wordt geleid door de in Brugge geboren Willem van Pamele, algemeen gekend als ‘de Jezuïet’, zoals hij genoemd werd toen hij nog voorzitter was van de Raad te Gent. Maar dat was in 1575. Samen met de raadsheren L’Espinoy, Snoeck, Coornhuyze en enkele andere ballingen spraken ze recht over Waals Vlaanderen. Met in hun zog natuurlijk een nest advocaten, procureurs en deurwaarders.
In de staten van Oranje komen er nieuwe magistraten. In Gent, Brugge en de andere steden. De nieuwe raad in Brugge wordt op 14 augustus 1580 geïnstalleerd. De vernieuwde colleges worden operationeel op 2 september. Als burgemeesters zie ik Jacobus Broucsaulx en Joos De Cabootere. Er zitten volgens van Male ongetwijfeld oprechte katholieken tussen. Maar de nieuwgezinden zullen, samen met de krijgsraad opnieuw alles ondersteboven halen.
Tijdens de julimaand van 1579 had Willem van Oranje zijn staten officieel vervallen verklaard van de heerschappij van de koning van Spanje. Alle hoge officieren, rechters, magistraten werden officieel ontslagen van hun eed die ze ooit aflegden aan Filips II. De nieuwe beschermheer wordt vanaf 20 augustus 1580 officieel deze Franse hertog van Alençon. Oranje behoudt het bestuur over Holland en Zeeland die officieel zijn eigen staten worden. ‘En van ginder uit zorgt hij wel voor zijn eigen voordelen!’. Het is maar al te duidelijk dat mijn schrijver niet hoog oploopt met Willem van Oranje.
Brabanders en Vlamingen zijn hem erg erkentelijk en schenken hem massaal erven en landen die ze zelf van de geestelijken hebben afgenomen. Zo krijgt de Hollander jaarlijks tweeduizend gulden opbrengsten van de abdij Ter Duinen bij Koksijde. Dat spel is al aan de gang sinds 1575 wanneer daar een wereldlijke ontvanger werd aangesteld. Een zekere Jan Speelman. Een gevaarlijke naam trouwens voor een financiële figuur. Abt Robert Holman, nummer vierendertig in de rij van abten, is er niet goed van geweest. ‘Hij trok het hem zodanig ter herte, te meer omdat hij uit zijn refuge te Brugge verdreven werd, dat hij in een gemeen burgerhuis stierf in het jaar 1579 en overnacht begraven werd in de kerk van de arme Clarissen, naast de sacristie.’
Die sekteleden van calvinisten vinden dat de opbrengst van deze tweeduizend gulden eigenlijk niet voldoende is en schenken Willem op 15 september 1580 al de goederen van de abdij om die eeuwig en erfelijk te bezitten. Later zal die schenking nog ongedaan gemaakt worden, maar ik laat mijn glazen bol even in de kast liggen. De goede patriotten van Gent zorgen ook goed voor zijne hoogheid van Oranje, hun afgod en beschermheer.
–
Uit deel 7 van ‘De Kronieken van de Westhoek’


