Anno 1915, op de 18de april. ’s Morgens werden we al vroeg gewekt door hetzelfde kanonnengebulder. De grote mensen zegden dat het de hele nacht had aangehouden. Om 8u zwegen de kanonnen plots. Er viel een grote stilte, maar korte tijd later hoorden we heftig geweer- en mitrailleurgekletter in zuidoostelijke richting. We gingen naar de Sint-Jacobskerk voor de mis. Aan de hoek van de markt en de Sint-Jacobsstraat moesten we stilstaan. Een hele bende, wel een paar honderd Duitse krijgsgevangenen werden de stad binnengebracht en dat stak ons een hart onder de riem. Heel de voormiddag en zelfs een deel van de namiddag knetterden de geweren en de mitrailleurs. Rond 16u hernam het kanonnengeschut van de Engelsen en het duurde tot laat in de avond.
Anno 1915, op de 18de april, het record van het aantal kanonschoten sneuvelde vandaag. Ongetwijfeld! Niet minder dan dertig per minuut en dat tempo zou gedurende één uur aangehouden worden. Om 7u leken de kanonniers wat gas terug te geven en dat werd wel tijd. Met dat onophoudelijk gebulder leken we wel onze hoofden te verliezen. De geallieerden hadden vijf loopgraven veroverd bij Geluveld en brachten nu vijf krijgsgevangenen binnen. Maar welke verwoesting toch!! Op de weg naar de Elverdinge waar we op zoek gingen naar tyfuszieken schoot er niet veel meer over dan een hoop stenen, bakstenen en glas. Rechtover de kerk van Elverdinge moest onze ambulance halthouden en werden we te voet gesteld. We zagen geen levende ziel en alles leek verlaten. Een grote kar geladen met meubelen stond deels vernield te wachten om weggevoerd te worden.
Achter ons sloeg een obus in en die trakteerde ons met resten van hout, aarde en glas en pas nu leken we wat uit onze trance te komen. Twee officieren – ik weet niet eens waar ze vandaan kwamen – sprongen tevoorschijn om me te fotograferen te midden deze wolk van stof waar ik me in bevond. Een tweede obus viel op de kerk net op het moment dat mijnheer Armstrong de auto opstartte om terug te keren. En terwijl de brokstukken van glas en stenen ons om de oren vlogen viel een grote ijzeren scherf tussen ons beiden in en raakte een stuk leiding van onze wagen waaruit prompt water begonnen te spatten. Wegrijden was niet langer een optie. Vier Canadese officieren op weg naar Elverdinge haastten zich om rechtsomkeer te maken. Dokter Fox en ikzelf smeekten hen om ons mee te nemen en naar het Heilig Hart te voeren. Daar aangekomen stuurde mijnheer Young een noodambulance om onze wagen te gaan takelen.
Anno 1915, op de 18de april, zondag. Om 5u30 schoot men een Duitse vlieger uit de lucht. Het gevecht had de hele nacht geduurd. De Duitsers gooiden altijd nieuwe reserven in de strijd. Bij ons werden voortdurend Engelse gewonden binnengebracht. Ze werden verbonden en direct weer weggevoerd. De hele dag en avond bleef diezelfde treurige stoet aanhouden. Om 19u werden de gevechten nog heviger. De Duitsers deden bovenmenselijke pogingen om de verloren loopgraven te heroveren.
Anno 1915, op de 18de april. De kanonnen hadden van de hele nacht niet gezwegen. Vanmorgen deelden ze ons een Engelse progressie mee in de richting van Hollebeke. De Engelsen hadden 400 Duitse krijgsgevangenen gemaakt. Het overige van de dag verliep kalm. Alleen maar een obus die zich om 18u boorde in de mess van de officieren in de ruiterkazerne. Om 20u herbegon het lawaai van de kanonnen.
Anno 1915, op de 18de april, zondag. Van 8u tot 12u45 volgde er een beschieting van onze kerk. Er vielen meer dan 70 marmieten op en rond dit heerlijk gebouw. Al de Elverdingenaars die nog thuis waren stonden op eerbiedwaardige afstand te staren naar dit triestig schouwspel. Op hun gezicht stond een hardvochtige leest die gevuld was met bittere weemoed en hevige ontsteltenis. Iedereen voelde nu nog maar pas wat de kerk betekende voor de bevolking en hoe hartstochtelijk men haar liefhad. Onze sierlijke en nog maar recent gerestaureerde kerk kwam deerlijk gehavend uit die laffe aanval. Heel Elverdinge treurde om het wreed in stukken rijten van zijn heilige tempel; het hart van ons schoon Elverdinge.
Iedere nieuwe gapende wonde in de flanken van Gods huis was als een priemsteek in het welig-gezonde vlees van onze levende gemeente. Pastoor De Nolf die meer dan gelijk wie leed onder die barbaarse verdelging zat moederziel alleen gevlucht in de kelder van de sacristie om er biddend zijn schat van heilige hosties te bewaken. En dat terwijl men boven zijn hoofd de kerktoren in gruis aan het schieten was. Het vernielend schroot had zelfs onze dierbare afgestorvenen niet met rust gelaten. De aanblik van het kerkhof was uiterst griezelig. Langs de westkant, waar enige Franse gesneuvelden begraven lagen, was het een chaos van bovengewoelde afzichtelijke lijken.
Hier en daar stak een doodskist uit de vers omgekeerde aarde en enkele lieten al door de brede gapingen het dode lichaam zien. Na dit hels gedoe vluchtte onze pastoor naar Poperinge terwijl kapelaan Storme zijn intrek nam bij Em. Lelieur waar hij dag op dag toen maanden zou verblijven. De kapelaan zou de goddelijke diensten die periode uitvoeren op de kelderkamer van die hoeve. De kerk werd nu helemaal achtergelaten en men legde nu ook voor de overleden burgers langs de steenweg op Veurne, niet ver van herberg ‘Het Speelhof’ een nieuwe begraafplaats aan. Een jaar later zou het daar ook al niet meer deugen en dan zou er aan de uiterste westgrens van onze gemeente moeten uitgekeken worden naar een derde begraafplaats die dan dienst zou kunnen doen tot aan de wapenstilstand.
–
Uit ‘De Grote Kroniek van Ieper’ – werk in opbouw –


