Hoe de sprekende naam ‘OUD-HULST’ naderhand het zinloze woord Houthulst geworden is. Wellicht zoekend naar een betere spelling, zal men geschreven hebben ‘Bosch van Houthulst’ en voor de bewoonde wijk ‘Houthulst’.
Hoe de sprekende naam ‘OUD-HULST’ naderhand het zinloze woord Houthulst geworden is.
Wellicht zoekend naar een betere spelling, zal men geschreven hebben ‘Bosch van Houthulst’ en voor de bewoonde wijk ‘Houthulst’. Zoals eerder gezegd: na de Franse overheersing van 1794-1814, was Houthulst slechts een wijk van de gemeente Klerken.
In 1829, onder het Hollands bewind, kochten twee Antwerpenaren, van de staat een groot deel van het Vrijbos, die ze in 1838 verkochten aan de heer senator Cassiers de Pattin, ook al een Antwerpenaar. Van toen af aan begint de geschiedenis van het eigenlijke Houthulst met in en rond zijn bossen een heel speciale bevolking, welke dan nog moest onderverdeeld worden in twee takken, niet alleen naar het fysisch uitzicht, naar het karakter en de zeden, maar zelfs naar het gesproken dialect.
De boskanters van de zuidelijke rand, in de richting Roeselare-Ieper verschilden niet zozeer van de bevolking van de omliggende gemeenten. Was er een wisselwerking gebeurd tussen de echte bevolking van de bosstreken die van het omliggende, met Frankische inslag?
Wellicht. Maar de boskanters van de noordelijke rand, namelijk die van Pierkenshoek, van Terrest tot de Vlae en Zarren, vormen een heel eigenaardige groep. Waren daar minder noordse elementen binnengedrongen?
In elk geval: ‘Pierkens’ en ‘Restenaars’ hadden destijds een opvallend uitzicht: zwarte haren, bruinachtige gelaatskleur, brandende ogen, een vlugge en losse gang, gebaren en bewegingen zoals echte zuiderlingen. Verzot op scherpe kleuren, de vrouwen vooral op rode rokken en sjaals, net zoals de Spanjaarden en de zigeuners.
Een echt barbaars volk, wild en woest van aard. Weerbarstig tegenover regelmatige bezigheden; van nature zwervers en belust op avonturen. Ze woonden in armzalige hutten, op de rand van het bos, meestal in groepen, en vormden echte clans, waarvan de individuen elkaars hulp en bijstand verleenden in alle omstandigheden. De wedijver tussen twee clans kon leiden tot hevige gevechten en onverzoenbare haat.
Hun hutten, drie à vier meter hoog, waren gebouwd van ‘plak en stak’, t.t.z. van boomstaken en vlechtwerk; binnen en buiten bestreken met leem of klei, altijd naar het zuiden gericht en nagenoeg vierkant. Het dak was van stro en zakte langs de noordkant tot 50cm van de grond. De vloer bestond uit vastgestampte klei, ten minste een voet diep in de grond gegraven, zodat die hutten leken op die van de voor-Romeinse komwoningen of kelderwoningen.
Rond de wanden was een zwarte plint geschilderd van ongeveer dertig cm hoogte, en op de vloer was een dergelijke band aangebracht, wat als een zwart kader vormde rondom de woning. Voor verwarming hadden ze een open haard waarin ze hout en ‘mutsaarden’ brandden, deze laatsten waren een soort turf die ze in het bos opdelfden. Hun legerstede bestond uit een hoop gedroogd bladeren of liefst varens.
De verschillende hutten, geplaatst op enige afstand van elkaar, waren verbonden door smalle kronkelwegels. De boskanters stonden vroeger bekend als ‘bezembinders’. De twijgen van berk en brem bonden ze samen tot bussels van gespleten wilgenrijs. De kleine bezems waren pottenbezems; de grote waren keer- of vaagbezems. Het volstond in het midden van die bezems een stok of steel te slaan om een handig huiselijk werktuig te bekomen, dat vroeger op de buiten algemeen werd gebruikt, vooral op de hoeven en bij de gewone lieden.
Met hun bezems op de rug trokken de vroegere boskanters heel Vlaanderen door, van hoeve tot hoeve, als leurders, om de kost te verdienen. De winter was het tijdstip voor de huiselijke bezigheid, voor het maken van de bezems; het schone jaargetijde was het tijdstip voor het leuren.
Ook gingen velen op de baan met een steekkarretje om messen en scharen te slijpen; anderen trokken er op uit als vertinner en ketellappers. Gewoonlijk namen ze vrouw en kinderen mee op hun tochten. De kinderen gingen dan ratten- en muizenvallen verkopen van deur tot deur, of op de kermissen en foren kunsten maken, o.a. een perenboom maken, t.t.z. op hun hoofd staan met hun voeten in de lucht.
Die zwervers bleven weken en maanden weg, hun brood bedelend; ze sliepen onder hun karretje of in een boerenschuur. Overal werden ze geschuwd en verwezen, soms verdreven. Ze beschouwden zich als de verworpelingen zodat in hun hart een gevoel van wrok leefde tegenover alle beschaafde lieden.
Wet en politie kenden ze niet, ‘pensejagen’, t.t.z. wildstropen bleef hun geliefkoosde bezigheid in de wintermaanden. Zo waren de Houthulstenaars, toen M. Cassiers bij die ruwe Vrijboskanters kwam met zijn edele gade. Meneer en mevrouw Cassiers zouden niet alleen hun prachtige bossen wijselijk ontginnen, maar ze zouden tevens in deze wildernis het licht van de beschaving en een schonere menselijkheid brengen. Met dat doel vestigden ze zich te midden van deze ruwe en onwetende lieden. Ze lieten een soort lusthuis bouwen, maar zo nederig dat het een weinig uitstak boven de hutten van de boskanters. Het was een grote hut met verdieping, helemaal van hout en stro. Later zou het echtpaar op diezelfde plek een schoon kasteel bouwen, het huidig kasteel van Houthulst. Hun strohut bleef bestaan als een aandenken aan de eerste lustra van hun beschavingswerk. In de hete zomer van 1911 brandde het lusthof af. In dat oorspronkelijk lusthof verbleven meneer en mevrouw Cassiers soms weken en maanden na elkaar, vooral tijdens het goede seizoen.
Na korte tijd hebben ze het vertrouwen en de liefde gewonnen van al die wilde boskerels. Geleidelijk legden ze een modern dorp aan. In 1856 bouwden ze een klooster voor zusters, samen met een kostschool voor leurderskinderen zodat deze verzorging zouden krijgen tijdens de lange zwerftochten van hun ouders. Tezelfdertijd lieten ze een kerk bouwen en in 1857 werd de wijk Houthulst een parochie. Een jongensschool toevertrouwd aan de broeders Xaverianen kwam tot stand in 1873.
Op 12 maart 1870 stierf de weledele heer Cassiers. Zijn begrafenis was een ware triomftocht, waar niet alleen aan deelnamen al de schamele boskanters, maar waarbij ook ministers tegenwoordig waren, alsook een militaire afvaardiging, vertegenwoordigers van kamer en senaat en van verscheidene hoge verenigingen.
Mevrouw Cassiers-de Pattin zette nog veel jaren haar beschavingswerk voort van haar edele echtgenoot. Beiden hadden hun praalgraf in de kerk van Houthulst. Na de oorlog van 1914-1918 was de kerk van Houthulst totaal vernield en zo verdween helaas het praalgraf van deze edele beschavers. In de schamelste hut prijkte de beeltenis van meneere en meevrouwe Cassiers zoals de Houthulstenaars ze noemden, in genegenheid en verering.
Reeds omstreeks 1900, na ruim een halve eeuw beschavingswerk, was Houthulst een echt dorp geworden met veel nette woningen. Van de armoedige hutten waren er slechts enkele overgebleven. Stieldoeners en winkeliers waren opgekomen, meestal binnengesijpeld uit de omtrek. Maar het grootste deel van de bevolking waren zwervers en leurders gebleven, die laatste al met een goed kapitaaltje en veelal eigenaars van een eigen huisje. Vroeger leurden ze met berken borstels en bezems; thans meestal met moderne borstels in fabrieken aangekocht.
Te Houthulst zelf was er reeds een borstelfabriek tot stand gekomen. Ze leurden ook met rieten zetels, stoelen, lampglazen, manden, matten, tapijten, dekens, bedspreien, breigoed, koorden, sponsen, dweilen, enzoverder. Sommige leurders gingen tot in de vreemd: ver in Duitsland en ver in Frankrijk. Maanden achtereen bleven ze op reis en lieten de nodige koopwaren achterna sturen, naar aangegeven stapelplaatsen of bestemmingen. Sommigen beschikten over moderne vervoermiddelen, helemaal aangepast aan hun bedrijf: lichte, lange, smalle wagens op twee wielen, en een goed loperspaard waarmee ze verre tochten konden ondernemen.
Die leurders werden dan ook te Houthulst met de naam ‘voyageurs’ betiteld. De echte leurders van de oude tijd, de arme zwervers, ‘schooiers’, of schaarslijpers, orgeldraaiers, vertinners of ketellappers werden van langs om zeldzamer. Want naarmate de welstand zijn intrede deed werd men van zwerver een gegoede leurders en tenslotte een welstellende ‘voyageur’. Wie niet leurde bleef gehecht aan het oude leventje van boskanter: maar op gepaste tijdstippen gingen mannen, vrouwen en kinderen in groepen bij de boeren van het omliggende om de akkers te wieden (vlastijd), waar ze de naam behielden van Pierkens. Of ze trokken in grote benden naar Poperinge ter gelegenheid van de hommelpluk. En voor 1914 gingen er eveneens groepen aar het Groothertogdom Luxemburg voor het plukken van fruit.
Thuis en op het vreemde bleven de Houthulstenaars een gesloten groep, waaronder een vreemdeling zich niet mocht wagen, tenzij vluchtig, maar in geen geval bij kermissen en drink- of danspartijen. Zijzelf hielden van spelen en slemppartijen: vooral bolspel viel in hun smaak; ook het dansen op de tonen van een slepende harmonica (accordeon). In hun midden waren befaamde harmonicaspelers die in de hele streek gezocht werden voor dansfeesten, en uren achtereen allerlei aria’s konden improviseren op slepende weemoedige toon. Befaamd was destijds de bezemdans.
Vooraleer op leur te gaan, werd door de bezembinders een feest gevierd, in een herberg ofwel buiten. Er werd een kring gevormd met de vervaardigde bezems, die op gelijke afstand van elkaar geplaatst werden. Vrouwen en mannen namen elkaar bij de hand en in kring dansten ze tussen de bezems. Diegene welke een bezem omver stootte moest de kring verlaten.
Sommigen vonden er nog iets anders en beter op. Elke danser zette een bezem met de gladgesneden bovenkant op het hoofd en zo gingen de dansers enige stappen voorwaarts, achterwaarts, zijwaarts..en huppelden en sprongen elk alleen. Kantelde een bezem van het hoofd, dan werd de danser buiten het spel geplaatst.
Een laatste vorm van bezemdans was de volgende: een bekwame danser danste met een bezem onder de arm, voorzien van een holte om de bezemsteel er in te steken. Een mededanser moest trachten langs achter, al dansende, de steel in de holte van de bezem te krijgen. Iets wat bijna nooit lukte. De danser met de bezem onder de arm mocht niet achter zich kijken en stak de ene maal de bezem onder de linkerarm, dan onder de rechterarm..en zelfs… tussen de benen. Een accordeonist begeleidde de dans door slepen maar geritmeerde akkoorden waarin een weemoedige melodie als leidmotief wisselde en keer totdat de dansers begaven.
Die bezemdans was in de bosstreek een echte volksdans. De Boskerels die in september bij groepen met vrouw en kinderen naar de streek van Poperinge trokken naar de ‘Hommelpluk’ voerden er ’s avonds hun bezemdans uit om het gezelschap te verlustigen. Ook op huwelijksfeesten in de bosstreek kwam de bezemdans gewoonlijk aan de beurt, als een laatste ‘Saturnale’, waaraan elkeen deelnam.
Sedert de oorlog 14-18 is die volksdans uitgestorven. Alleen de oudjes weten ervan nog te vertellen. De aloude berkenbezems zijn ten andere vervangen door moderne bezems en het jonge geslacht dans nu moderne dansen. Tijdens de lange wintermaanden, toen iedereen teruggekeerd was in de heimat kwamen de buren overeen om te ‘avondstonden’. Onder het gezelschap waren er zogezegde ‘barden’ die vertelden van hun verre tochten, van hun zeldzame avonturen, ofwel voorvaderlijke vertelsels opdisten. Zo onder andere ‘van de waternekker’, maar ook eigenaardige liederen zongen, een soort saga’s van hun stam, dus het lied van ‘De eeuwige jager’.
Zo was de toestand bij het uitbreken van de oorlog in 1914. De eerste Duitsers, Uhlanen, die in de Vrijbosstreek aankwamen in september, voelden er zich niet veilig: een echte boskanter kon geen vreemdeling op zijn grondgebied dulden. Maar toen de strijdende legers naderen en de slag aan de Ijzer begon, sloegen de Houthulstenaars in grote getale op de vlucht met hun leurderskarretjes Frankrijk in. De hele oorlog wisten ze er handel te drijven: men ontmoette ze zelfs op openbare markten, waar ze zich zo goed wisten te houden dat hun eigen landgenoten soms moeite hadden om in hen Houthulstenaars te ontdekken!
Toen ze in 1919 naar hun streek terugkeerden, vonden ze hun dorp en hun bos niet meer terug. Alles was verwoest. De Duitsers hadden er reusachtige verdedigingswerken ingericht! Het eerste offensief van de geallieerden in de herfst van 1917 had het bos erg beschadigd door de vele en lange bombardementen. Maar het ‘verlossingsoffensief’ van 27 en 28 september 1918, onder commando van generaal Mahieu, bracht aan het Vrijbos en aan Houthulst de genadeslag toe. Dorp en bos werden nagenoeg vernietigd!
Stilaan begon de heropbouw. Het bos werd herschapen in een groot militair kamp zodat slechts enkele hoekjes ervan heropleefden. Een nieuw dorp ontstond, met mooie en moderne woningen. Van hutten was geen spoor meer: wie geen stenen woning kon betrekken gaf nu de voorkeur aan een woonwagen. Langs de kant van de Piekenshoek vulden ze verscheidene straten.
De heer Eugene de Groote, die het beschavingswerk van wijlen meneer en mevrouw Cassiers overgenomen en voortgezet had en op vijftigjarige leeftijd als vrijwilliger optrok in 1914, wist te bewerken dat Houthulst een zelfstandige gemeente werd. Door de wet van 11 april 1928 werd Houthulst losgemaakt van Klerken en ontpopte het zich tot een fiere gemeente van 2.550 inwoners. Op een grondgebied van 960 hectare en met de heer Eugeen de Groote als eerste burgemeester. Voortaan kon Houthulst zichzelf beheren en dat doet het.
Wie thans te Houthulst aankomt vindt er niets meer van de vroegere toestanden; alleen zal het hem opvallen de eigenaardige en zangerige toon en de uitspraak van de heldere en heel speciale woordenschat en vooral de vele ‘lap’ of bijnamen die er in gebruik zijn en blijven. Zo vermelden we de namen die wijzen op voorouders, enkel betiteld met de voornaam van deze laatste, zoals; Pee Naskens, Saten van Sissens van Lottens van Fikkens van Pharaïlde van Duttens! En verder kenschetsende bijnamen zoals Klakke, Mote, Transvaal, Moluwe, Falten, Kel, Knuste, Kazakke, Friege, Teele, Sapeur.
En dan om een hele familie te bedoelen: Burtens, Smouters, Ko’s, Stampers, Boertjes, Gardens, Smetjes, Schieters. We treffen hier nog al die plaatsnamen aan die herinneren aan het vroegere landschap: Terrest (Ter Heest), de Vlae, de Tolphoek, de Melane, het Meuneken, de Madoine, de Belhutte, het Boskasteel, de Pierkenshoek, de Koekuit, de Nachtegaal, het Hoogkwartier, het Zwartegat, de Mangelare, de Vossedreve, enzoverder.
Wat verder bijzonder opvalt is de manier van optreden, de vrijpostigheid, de beslistheid van de Houthulstenaars, en bij zeer veel nog het fysieke uitzicht en lichaamsbouw, de vorm van de schedel en gezicht, oog- en haarkleur, enz.. Want ondanks de inwerking van allerlei storende invloeden is de bevolking van Houthulst een gesloten groep gebleven. Nu nog altijd trouwen de Houthulstenaars onder elkaar: 95% van de echtgenoten woonden geen 5 km van elkaar voor het huwelijk. Vandaar de samenhorigheid van de Houthulstenaars en hun ‘eigendommelijkheid’.
Zo rijst spontaan de vraag bij aandachtige waarnemers: ‘wie zijn dan toch die aloude Vrijboskanters?’ Dr. Vanden Broucke van de universiteit van Gent heeft destijds in dat verband een merkwaardig antropologisch onderzoek ingesteld, waarvan de resultaten gepubliceerd werden in verschillende wetenschappelijke bladen, zo onder meer in het ‘Geneeskundig Tijdschrift’ van september 1942.
Op de Terrestheuvel vond hij 61,89% blauwe ogen gepaard met slechts 45,90% blonde haarkleur. Opvallend was het geringe aantal blonde haren gepaard met bruine ogen, tegenover het veel groter aantal zwarte haren gepaard met blauwe ogen. Van een andere kant ontbraken alle extreme raskenmerken zodat de geleerde onderzoeker als volgt kan besluiten: ‘Het ontbreken van sterk uiteenlopende raskenmerken levert het bewijs dat de consistuerende Neolithische rassen tijdens de eeuwenlange samenleving, een gesloten bevolkingsgroep gevormd hebben met als raskenmerken de resultante van de Neolithische rassen die op onze bodem leefden en die, volgens algemeen aanvaarde gegevens het Brachycephale ras (Alpinen) en het Laat-Paleolithisch Cro-Magnon-Ras zijn, waarbij noordse inwijkelingen die in de loop der tijden deze bevolking vervoegd hebben.’ Kort samengevat: een mengeling van Kelten, Saksen en Franken).
Die interessante antropologische studie van Dr Vanden Broucke aangevuld en vervolledigd door ethnologische gegevens over de eigen aard en de eigen zeden, de speciale levenswijze en de gedragingen van de Houthulstenaars, zoals hierboven omschreven; dan nog het diep ingeworteld gebruik bij dat volk te willen begraven worden met ‘beste klederen’ aan, en voorzien van een paar geldstukken; dat alles leidt ertoe de stelling te huldigen dat de Vrijboskanters een groep aloude Belgen uitmaakten, samengesteld uit Neolithiekers, later Liguren geheten, die in dienstbaarheid stonden van de overheersende Kelten, maar in de bosstreek ontkwamen aan alle Romeinse invloeden, zelfs aan de macht van de Frankische inwerking.
Zeldzame Saksische elementen binnengesijpeld langs de toenmalig nabijgelegen kust, en die even weerbarstig stonden tegenover de Franken, kunnen in de bosstreek binnengedrongen en versmolten zijn met de hierboven aangegeven oude weerstandselementen. Dat zijn naar alle waarschijnlijkheid de Houthulstenaars, Restenaars en Pierkens.
Bij dat volk is de primitieve stoutmoedigheid en weerstandskracht nog niet verslapt! Onder de bezettingstijd 1940-1944 ontstond daar een sterke weerstandsgroep, opgericht en geleid door drie zonen van de kranige heer Eugeen de Groote, i.c. de heer Hubert de Groote, burgemeester die zijn vader opvolgde als die zijn ambt neerlegde omwille van zijn ouderdom), Georges en Gauthier de Groote.
Op zekere dag, in november 1943, ’s morgens vroeg, omsingelden de Duitsers het dorp en ondernamen ze er een echte razzia; een twintigtal mannen vielen in hun handen! De burgemeester ontsnapte bij toeval: hij had de nacht doorgebracht bij de dokter in het dorp en was verwonderd toen hij ’s morgens zijn hond, die op de villa gebleven was, bij hem kwam gelopen. Hij belde naar het kasteel en kreeg daar Duitsers aan de telefoon. Hij begreep onmiddellijk wat er aan de hand was. Hij slaagde er in om te ontsnappen en via Frankrijk, Spanje en Portugal naar Engeland te trekken. Van de aangehouden Houthulstenaren kwamen er elf niet meer terug: acht werden gedood en er bleven er drie vermist. Onder de slachtoffers waren de twee voormannen: Georges de Groote, commandant van het Belgisch leger, geboren op het kasteel van Houthulst op 11 maart 1896, gestorven in het uitroeiingskamp van Gross-Rozen in december 1944. En Gauthier de Groote, landbouwingenieur, geboren op het kasteel van Houthulst op 3 oktober 1906 en gestorven in het uitroeiingskamp van Dora-Nordhausen in maart 45.
Op zondag 11 september 1949 werd op de Dorpsplaats te Houthulst een groots gedenkteken onthuld, ter herinnering aan de weerstanders van 1940-1944, zulks in aanwezigheid van de afgevaardigden van de koning en de toenmalige prins-regent.
Houthulst bleef en blijft zichzelf
–
B.H. Doche, ere-hoofdinspecteur in ‘Het Wekelijks Nieuws van 1951’ www.historischekranten.be



