Juli 1915. Ieper. Het enige andere redelijk omvangrijk gebouw was dat van het Onze-Lieve-Vrouwhospitaal aan de noordoostkant van de markt. Dit witgeschilderd gebouw versierd door een verguld wapenschild was structureel in leven gebleven, ontsierd en beschadigd, maar niet helemaal. Elke andere constructie langs de Grote Markt lag in puin. Om aan de rechterzijde van de markt te wandelen had die een lengte van bijna een halve mijl en langs dat hele traject lag er niets anders dan hopen ruïnes en steenpuin met hier en daar wat schaars rechtopstaande muurresten.
Tijdens de wandeling kon je hier en daar odeuren opsnuiven die een beetje leken aan wat men kon ruiken in de loopgraven. Koppige inwoners hadden zichzelf laten begraven in hun eigen kelders waar ze beschutting hadden gezocht. Op een bepaalde plaats lagen de riolen open en deze riool leek me wat ruim aangemeten voor een stad als Ieper tot het me plots te binnen schoot dat ik hier keek naar de oude bedding van de Ieperlee die in het verleden overwelfd was geweest.
Ik wilde een ruwe schets maken van wat ik hier hier allemaal zag op de Grote Markt, het was nu eenmaal een spectaculair zicht, majestueus in zijn extremiteit. Hopelijk had de Britse regering de scene afdoende laten fotograferen, voor mij voelde het in elk geval aan als mijn plicht om mijn tekenboek boven te halen. De hele wereld mocht en moest zien wat hier aan de hand was. Mijn gezelschap liet me alleen achter terwijl ik neerzat aan de rand van een kleine bomkrater op enige afstand van de voorgevel van het hospitaal.
Ze hadden me aangeraden niet te dicht te zitten omdat het gebouw wel eens zou kunnen instorten. De geplaveide vloer van de markt strekte zich rond mij uit als een enorme vlakte, vooral omdat ik nu neergezeten was in die krater. Op een stuk voorgevel aan mijn linkerzijde kon ik het woord ‘CYCLE’ zien staan, in grote zwarte letters op een witte achtergrond. Dat ene woord en ikzelf leken de enige levende wezens te zijn op de markt. Op zekere afstand gaf een rookwolk aan dat er een woning in brand stond.
De twee andere straten die zichtbaar waren vanuit mijn standplek gaven geen teken van leven. De wind die al de hele tijd krachtig gewaaid had tijdens mijn bezoek aan de frontlijn blies hier nog harder dan ooit. Alle raamprofielen en deuren van het hospitaal sloegen en kraakten in de wind terwijl het lawaai van de geweren nooit ophield. Een groot Brits vliegtuig zoemde op aanzienlijke hoogte boven me voorbij en overal dwarrelde er stof.
Ik dacht er plots op dat ik hier wel elk moment door een granaat zou kunnen getroffen worden en dat gevoel maakte me bang. Maar toch minder bang voor die granaat dan voor dat gevoel van intense eenzaamheid. Reims was onbewoond, net zoals Arras. Maar in beide steden waren de postmannen achtergebleven, waren er nog kranten, winkels en zelfs cafés. Maar hier in Ieper was er niets, elke straat was als een woestijn, elke kamer in elk huis stond leeg, er wareerde zelfs geen hond op zijn zoektocht naar eten.
Die verlatenheid drukte zwaar op mijn gemoed en maakte me ziek. Ik had met mijn staf afgesproken hier te blijven wachten want niemand van ons had er zin in om me te gaan opzoeken in dit sinister labyrint van de Ieperse straten. Die afspraak had ertoe geleid dat ik hier nu zat als een gevangene van de markt en ik veroordeeld was tot een eenzame opsluiting. Ik hoopte vurig dat mijn gezellen niet te lang zouden wegblijven.
Plots hoorde ik de echo van stemmen en voetstappen. Twee Britse soldaten verschenen vanuit een straathoek en staken nu traag het plein over. In de enormiteit van de Grote Markt leken ze wel speelgoedfiguren. Ik voelde de neiging om me aan hen vast te klampen, maar Engelsen doen geen dergelijke dingen, zelfs niet in Ieper. Ze wierpen me een terloopse blik toe terwijl ik hen voorzichtig gadesloeg in een poging om te pretenderen dat de bizarre omstandigheden hier doodnormaal waren. Ik voelde me veiliger zolang ik hen zag en nadat ze uit zicht waren werd ik weer bang, maar dan wel heel erg bang.
Ik kon het met geen gevoel vatten hoe ongemakkelijk ik me hier voelde. Ik tekende mijn schetsen omdat ik gezegd had dat ik dat zou doen en van zodra gedaan sprong ik uit mijn put en begon ik rond te lopen, en speurde de straten af of mijn vrienden nergens te zien waren. Depressief was ik, had ik maar nooit geaccepteerd om het front te komen bezoeken. Ik had hier echt wel het gevoel dat ik nooit meer levend uit Ieper zou geraken.
Toen ik mijn stafofficier plots zag opdagen viel er een enorm pak van mijn hart, maar geloof me maar dat ik nog urenlang depressief zou blijven. We reden nu weer samen verder door Ieper. Vermoedelijk de belangrijkste straat in de stad was de Rijselstraat die van voor de lakenhalle liep tot aan de Rijselpoort en dan verder over de slotgracht in de richting van de Duitse linies. De Rijselstraat stond speciaal bekend voor zijn stijlvolle oude gebouwen, met het Belle gasthuis voor verpauperde Ieperse vrouwen en gebouwd in de 13de eeuw.
Er was het museum in het voormalige Hotel Merghelynck, niet echt een schitterend gebouw maar het puilde wel uit van alle soorten antiek. Verderop bevond zich het Sint-Janshospitaal maar het kon niet tippen aan zijn naamgenoot van Brugge. Op het einde van de straat zag ik het gotische houten huis met zijn wonderlijke voorgevel. En ik vergat bijna het wonderbaarlijke 14de eeuwse ‘Steen’ dat sinds mijn laatste bezoek omgebouwd was tot een postgebouw. Met uitzondering van dat laatste gebouw lag de complete Rijselstraat nu in puin – als mijn herinnering me niet in de steek liet.
Het verbrijzelde postgebouw stond nog schitterend recht hoewel zijn interieur helemaal verwoest was door een granaat die door het dak binnengedrongen was. De acacia’s er voor stonden in bloei, de vliegen gonsden in het rond terwijl het onkruid tussen de voetpaden woekerde. De wind tilde het stof van de puinhopen die ooit huizen hadden moeten voorstellen op en sloeg die in wolken tegen de muren die nog altijd poogden om loodrecht te blijven staan.
Ook hier die onvergetelijke geur die leek op te stijgen uit tussenruimtes van neergeslagen baksteenresten die ondergrondse kamers verstopten. We sloegen een smal straatje in, vol kleine huisjes die vermoedelijk ooit bewoond waren door de kantwerksters. De straat was zo bescheiden dat de Duitsers zelfs niet de moeite namen om die in hun vizier te nemen. Voor zover ik kon kijken had het straatje niet de minste schram opgelopen.
Zelfs de petieterige ramen van de kleine rode huisjes waren nog niet allemaal ingeslagen. Alle deuren stonden op een kier. Ik aarzelde of ik er nu al dan niet zou binnengaan, het leek er wel op dat die huizen op een mysterieuze manier door onzichtbare krachten beschermd werden. Uiteindelijk dreef mijn nieuwsgierigheid – onder het mum van een professionele reporter te zijn – me naar binnen.
De huisjes waren zo bescheiden dat ze niet eens beschikten over een inkomhal zodat we direct in de zitkamer binnenkwamen, zo te zien nog compleet bemeubeld, alles was er wel een grote rommelboel maar de meubelen stonden er nog, een beetje vergelijkbaar met die welke we aantroffen in de achterbuurten van Londen. En de enige ambitie van die huisjes leek wel dat ze op elkaar moesten lijken. Wat de ene had moesten ze allemaal hebben.
In normale omstandigheden toch een beklagenswaardig doel maar hier leek het net aantrekkelijk. We vonden hier alles in deze eetkamers. Miserabele, lelijke versieringen op de schouwtabletten moesten vermoedelijk in de smaak gevallen zijn van de simpelen van geest die hier gewoond hadden. De laden van de eiken en mahoniehouten kasten stonden opengetrokken maar waren niet leeggemaakt. Een betegelde vloer lag bezaaid met kleren en met een mix van gekke bezittingen, met potten en pannen uit de keuken en de bijkeuken, met zakken en dozen.
De opstapeling van mensenlevens lag hier open en bloot en het leek me een onbegonnen zaak om me hier de trage transformatie van jonge meisjes naar bruiden in te beelden, en verder van bruiden naar bruidsmoeders. Binnen de schemering van dit interieur kon ik de trap ontwaren, hoewel het niet mogelijk was om die te bereiken, ik kwam niet verder dan de eetkamer. En zo ging ik van huis naar huis, zonder iets aan te raken want dat zou ingaan tegen de militaire wetten.
Uiteindelijk belandde ik aan het uiteinde van de kleine straat. Ieper kende veel van dergelijke straten, in realiteit bestond de meerderheid van Ieper uit dergelijke stegen. Ik kon ze natuurlijk niet allemaal bezoeken. Het was in elk geval duidelijk dat de bewoners alleen maar het hoogstnodige van hun spullen hadden meegenomen tijdens hun vlucht. Het was vermoedelijk een kwestie geweest van te grijpen wat nog kon, het kostbaarste en meest draagbare.
Veel zou het niet geweest zijn, buiten adem, opgejaagd, zonder voertuigen, met de bejaarden en kinderen die een en ander van het huishouden moesten helpen dragen. Een bomalarm leek wel op een besmettelijke ziekte en van zodra vertrokken veranderden de huizen van die mensen in verlaten doeningen, ontzield in onverdraaglijke musea bestemd voor de ogen van de vertegenwoordigers van de Amerikaanse en Engelse pers. Waar de scharrelende families naartoe gegaan waren kon ik niet weten en ik deed zelfs de moeite niet wegens het zinloze ervan.
Die mensen waren gewoonweg zichzelf verloren op het gezicht van de aarde en werden om die reden door de buitenwereld omschreven als ‘vluchtelingen’. Toch diegenen die er in geslaagd waren om levend weg te geraken. Na de verlatenheid van de Ieperse buitenwijken, met hun verminkte en roestende fabrieken, hun stagnerende kanalen, lege percelen, hun tuinen vol hoog onkruid, hun afgeschafte spoorweg- en tramstations , was er nog een tweede kwestie die haast geen grotere indruk achterliet op mijn uitgeputte gevoelswereld.
Enkele mijlen aan de overkant van de stad bevonden zich de Duitse artillerieposities met kanonnen die berekend en opgesteld stonden om de kathedraal en de lakenhalle aan flarden te schieten. Rond dat geschut flankeerden goed opgeleide mannen die jaren gespendeerd hadden aan de wetenschappelijke studie van de vernietiging.
Onder die heerschappen stonden dan hun slaven die – enkel en alleen gericht op de totale destructie – opgehouden waren van vrije burgers te zijn zoals ze ooit geweest waren. Ze moesten de bevelen uitvoeren, met de nodige pijnen, angsten en doodsverachting. Ze hadden expliciet te horen gekregen dat ze op bevel gewoonweg hun vaders en broers moesten afslachten. Die hele Duitse organisatie had perfect gewerkt voor wat betreft al de schoonheid van Ieper en had gezorgd voor een radicale breuk met acht eeuwen geschiedenis. Terwijl deze operatie eenvoudigweg het gevolg was van een weloverwogen bevel.
De succesvolle uitvoering van deze opdracht moest vreugde gebracht hebben in de Duitse harten, van hoog naar laag. ‘Nog een granaat in de kathedraal’. Ze moesten elkaar de handen geschud hebben bij elke rake poging met hun uitstekende kanonnen. ‘Een bres in de toren van de lakenhalle’ was goed voor algemeen gejuich. ‘De bevolking was gevlucht en Ieper omgetoverd in een woestijn’, dat nieuws moest onuitsprekelijk enthousiasme teweeg gebracht hebben, vooral dan bij de welopgeleide militairen, van de hoogste in rang tot de laagste.
Zo moest het gegaan zijn. Niets was hier overgelaten aan het toeval, de granaten moesten van ergens aangevlogen komen. Elk projectiel opnieuw was de climax van een lange opzettelijke poging, voortgesproten uit de hersenen van de verantwoordelijke leidersfiguren. Kon men dit ooit vergeten? Sommigen kwamen af met het argument dat dit nu eenmaal de oorlog was, tja was dit zo? De toekomst van dit Ieper speelde door mijn geest. Een stad die dan nog maar één van de vele martelaars was. Maar als puntje bij paaltje kwam was Ieper toch wel de grootste martelaarsstad. Naar proportie zouden er ongetwijfeld wel dorpen zijn die nog meer geleden hadden, maar geen enkele koopliedenstad van dit formaat, met zoveel historisch en artistiek belang kon tippen aan Ieper.
Ieper kon aanzien worden als hét symbool van de Duitse verwezenlijkingen in België. De stad stond pal op de doorgangsweg naar Calais, maar dat was niet haar eigen schuld. Moesten de Duitse kanonnen zelfs geen enkele steen meer overgelaten hebben in Ieper dan nog zou hun pad naar Calais er niet eenvoudiger op geworden zijn. Moest de vijand er in geslaagd zijn om de Britten te verslaan in de Ieperboog dan zouden hun troepen zo rustig als hyena’s in een rijstveld voorbijgekomen zijn door de stad.
De misdaad van Ieper bestond er in dat het handig gelegen was om het veel sterker leger van de Duitsers afgelopen herfst tot staan te brengen. Daarbij hadden de kathedraal en de lakenhalle gediend als pasmunt, iets dat moest weggegeven worden samen met andere niet te verdedigen schoonheden van Ieper. Zolang het maar niet de loopgraven waren geweest. Hoe de toekomst van Ieper er uit zag kon ik niet bevroeden.
Als de voorgevel van de lakenhalle nog mogelijk zou kunnen gered worden dan zou ik persoonlijk de volgende tekst van links naar rechts er op aanbrengen; ‘Op 31 juli 1914 verzekerde de Duitse minister dat Duitsland niet de minste intentie had om de neutraliteit van België te schenden. Vier dagen later vielen ze ons land binnen. Kijk maar eens goed rond.’
–
Uit ‘De Grote Kroniek van Ieper’ – werk in opbouw


