De Fransen slagen er in het voorjaar van 1678 in om de inwoners ten westen van de Lovaart en de Iepervaarten te vrijwaren van Spaanse contributies. Ook langs het Ieperleekanaal tussen de Knokke en Ieper zijn ze actief aanwezig in een aantal nieuwgebouwde forten. Toch zitten ze met een logistiek probleem. In geval van nood kunnen ze nooit tijdig bijstand verlenen aan Sint-Winoksbergen en Duinkerke. Om die reden beslist de Franse legerleiding op 11 mei 1678 om al het volk in de garnizoenen van de stad en de kasselrij nu weer naar het leger te sturen. Voor hun vertrek van Veurne demonteren ze opnieuw de borstweringen en breken ze de stallen af. Daarna trekken ze met het hout en hun munitie naar Duinkerke.
Tegen die tijd zijn een groot aantal pioniers druk bezig met het graven van de ‘Nieuwe Gracht’ geflankeerd door een hoge borstwering. De werken zijn aangevat in de Moeren op de grens van Houthem en Hondschote. Van daar strekt de gracht zich uit langs de Houtgracht voorbij de Grogniaert, en loopt hij voorbij de Clachoore naar Leisele. Van deze parochie loopt die dan verder tot de Brouckmolen in Beveren-aan-den-IJzer om daar te eindigen aan de Ijzer. Langs de Nieuwe Gracht komen er nu een heel reeks forten en redoutes, bezet door soldaten. De kerken van Bulskamp, Houthem en Leisele krijgen extra versterking en manschappen. De Fransen huizenieren eveneens in Roesbrugge en Hondschote. In die laatstvermelde parochie liggen er 1.400 mannen om hun gracht te beschermen. De Spaanse legerbenden mogen het echt wel op hun buik schrijven om die linie over te steken in hun zoektocht naar contributies.
De belasting van die militaire ontplooiing in de kasselrij van Veurne is immens. Het is nog nooit zo erg geweest als in 1678, beweert Pauwel. En dat betekent toch wel wat als ik zie wat hier de voorbije 40 jaar al voorgevallen is! Naast de hoge prijzen voor al die garnizoenen is er vooral de ongelooflijke kost om al die pioniers te betalen. De Franse projecten vergen voortdurend aanzienlijke groepen werklieden. Altijd wel tussen de 400 en 600 pioniers die moeten betaald worden door de kasselrij zelf. Daarnaast is er sprake van wel dagelijkse opeisingen van paarden, wagens en schepen die opdrachten moeten uitvoeren in dienst van de koning. In mei 1678 maken de diverse parochies hun rekeningen op en concluderen ze dat de kost al opgelopen is tot 22 gulden per hectare. In het Blootte is dat door de aanwezigheid van de Spanjaarden al 30 gulden. Diezelfde Spanjaarden hebben aan de kasselrij, met inbegrip van de Acht Parochies’ op één jaar tijd de fabelachtige som van 1 miljoen gulden gekost. Niet moeilijk dat de kroniekschrijver het heeft over dit ‘uitgeput’ land.
De uitwassen van deze oorlog
Het ergste van dat allemaal is natuurlijk de wetenschap dat het einde van die tunnel van ellende nog niet in zicht is. De uitwassen van deze oorlog blijven maar groeien, ik heb het over actie en reactie. De Fransen stellen vast dat de Spanjaarden de burgemeester van Veurne en andere notabelen gevangen houden in Nieuwpoort. Als represaillemaatregel starten ze al van in april 1678 met het oppakken van de rijkste lieden in het Vrije en in andere streken van Vlaanderen, wel te verstaan op Spaans grondgebied.
Ze gaan zo door tot de gevangenissen van Rijsel en Oudenaarde letterlijk uitpuilen van de gevangenen. Het regent klachten bij het hof van Brussel. De eis om vrijlating van die onschuldige Vlamingen gaat niet meer uit de lucht. Dergelijke eisen komen ook vanuit Veurne. Wanneer denken de Spanjaarden hun burgemeester eindelijk op vrije voeten te stellen? Einde mei zwichten de Spanjaarden en laten ze de Veurnse schepenen vrij, in de hoop dat de Fransen hun voorbeeld zullen volgen, maar die eisen eerst de vrijlating van de burgemeester. De kwestie sleept nog aan tot de 8ste juni vooraleer hij eindelijk op vrije voeten komt. Pas dan tonen de Fransen zich bereid om al hun gevangenen te lossen.
–
Uit deel 10 van ‘De Kronieken van de Westhoek’


