Deze spelletjes waren in gebruik te Lombardsijde in de jaren 1920, in de schooltijd van mijn moeder en haar zusters.
Kinderspelen van weleer te Lombardsijde
Deze spelletjes waren in gebruik te Lombardsijde in de jaren 1920, in de schooltijd van mijn moeder en haar zusters. Het ene meisje vraagt het andere:
– Mag ik een trapje doen? Met de wijsvinger wordt tezelfdertijd de borststreek ‘opgeklommen’, al zeggend: nog ééntje? nog ééntje?…
Dit wordt herhaald tot de vinger de kin aantikt. Waarop de vraag volgt: ‘zal het katje niet krabben?’
Bij het aantikken van de mond volgt de vraag: ‘zal het hondje niet bijten?’
Bij het aantikken van de bovenlip volgt: ‘is mijnheer thuis?’
Hierop volgt vliegensvlug de vraag: mag ik eens aan de bel trekken?, gevolgd door een rukje aan de neus van het ‘slachtoffertje’. Het slachtoffertje dient hierbij te proberen, net op hetzelfde ogenblik, in de hand te spuwen van haar ‘plaagstertje’. Slaagt men hierin dan volgt zeker de toejuiching van de vriendinnetjes.
Vijf-zesjarige meisjes hielden zich anderzijds bezig met volgend versje: ‘mijn tafeltje’ (voorhoofd) – mijn kiekertjes (ogen) – mijn snottertje (neus) – mijn cha-cha-cha (mond) – mijn kinnebek (kin) – mijn petattebuik (buik) komt al achter (zitvlak) uit.
Hierbij werden meteen de opgesomde lichaamsdelen met de vingers aangeraakt.
–
Jacques Beun in Biekorf van 1971


