1841, eind november. Men was al een hele tijd bezig met het ophogen van het Minneplein met het slib, puin en de resten uit de Ieperlee. Dat werk betekende natuurlijk een grote overlast voor de bewoners van de Elverdingestraat. Maar eigenlijk mochten ze niet klagen. Want eindelijk zouden ze een gezonde leefomgeving krijgen, een werkje waar de stad nu toch al 25 jaar mee bezig was. Het zou voor het stadsbestuur inderdaad gemakkelijk geweest zijn om sinds 1816 om zich te beperken tot het opfrissen van deze bodemloze put tussen de stad en zijn vestingen en zich niet te bekommeren met het afsluiten van de sluis in de buurt van de Veemarkt om er een glooiend grasveld van te maken tot aan de helling van de vestingen.
Maar ons toenmalig stadsbestuur had zich niet tevredengesteld met deze simpele en goedkope oplossing en daardoor was het Minneplein lang een moerassige, ongezonde en schadelijke vlakte gebleven, niet enkel voor de bewoners van de Elverdingestraat maar voor de volledige stad. Door de vlakte op te vullen met het slib uit de Ieperlee zou men binnen enkele weken nog altijd een vuile vlakte krijgen, maar de winter met zijn sneeuw, wind en regen zou het slib reinigen waardoor het Minneplein tegen volgende zomer zich zou transformeren tot een van de gezondste terreinen van onze stad.
De majoor van onze genietroepen die het werk uitvoerden vond het belangrijk dat het stadsbestuur zich zou verzetten tegen het wegvoeren van het slib buiten Ieper maar om het materiaal wel degelijk te gebruiken om laaggelegen uitgravingen en laagtes op te vullen en te nivelleren. En er waren best nog wel dergelijke plaatsen in de stad. Zo bijvoorbeeld aan het uiteinde van de Boterstraat in de buurt van de terreinen van de Roesbrugge-Dames.
–
Uit ‘De Grote Kroniek van Ieper’ – werk in opbouw


