banner
aug 25, 2025
79 Views
Reacties uitgeschakeld voor Opschudding in Nieuwpoort

Opschudding in Nieuwpoort

Written by
banner

Er zijn ten gevolge van grafelijke besluiten haringtienden en vistienden te betalen aan de proosdij van Sint-Walburga van Veurne. Sint-Walburga beseft dat Nieuwpoort grote moeite heeft om het hoofd boven water te houden en dringt een aantal jaar niet aan op betalingen van de tienden. De archieven leren ons dat twintig jaar na datum stappen ondernomen moeten worden om de betalingen van de haringtienden te verzachten. Een commissie opgericht door de gravin beweegt echter de stad om onverwijld in te gaan op het betalen van de tienden.

De bevolking ergert zich aan die uitspraak. De man in de straat kan niet begrijpen dat een vrije stad zoals Nieuwpoort belastingen moet betalen aan een instelling die er niets voor hoeft te doen. De mensen hebben betaald tot in 1213. Maar de toestand is grondig veranderd in dat jaar. Waarom moet Sint-Walburga in godsnaam blijven aandringen nu heel Nieuwpoort in de voddenmand ligt? Het stadsbestuur ziet geen andere uitweg dan te onderhandelen met Sint-Walburga.

Drie priesters worden door de Veurnse proosdij afgevaardigd en maken hun intrede in Nieuwpoort om de problematiek te bespreken. De gemoederen zijn echter zodanig verhit (zelfs de schepenen zijn over hun toeren) dat twee van de priesters door het volk worden aangerand en doodgeslagen. Een derde kan ternauwernood en zwaar gewond aan de dood ontsnappen. Het geval zorgt voor groot opschudding in heel Vlaanderen. De stad Nieuwpoort wordt onverbiddelijk in de ban van de kerk geslagen.

Het betekent niet enkel het sluiten van alle kerken en het schorsen van alle erediensten maar vooral een ultieme vernedering voor de hele stad Nieuwpoort. Overal wordt met afkeer en met verontwaardiging de naam van Nieuwpoort uitgesproken. Het stadsbestuur zet alles op alles om de banvloek te laten herroepen. Alle vrienden en relaties in regeringskringen en uit kerkelijke hoek worden ingespannen. De pogingen kennen succes. Gravin Johanna en de bisschop van Terwaan verlenen hun medewerking. Ze stellen drie personen aan om de zaak op te lossen.

Het zijn de abt van Sint-Walburga, de proost van Sint-Omaars en de proost van Brugge. Sint-Walburga en de stad Nieuwpoort verbinden zich er toe om zonder discussie de besluiten van het drietal te aanvaarden. Op 13 september 1236 volgt de uitspraak. Ondertussen is de banvloek op Nieuwpoort al opgeheven. Vijfentwintig personen moeten worden aangeduid en die worden voor één jaar overzees verbannen, ultra mare, waarschijnlijk naar Engeland. De verbanning mag uitgesteld worden tot op Sint-Jansdag, half juni van 1237.

Tijdens de uitgestelde periode dienen die vjfentwintig bannelingen aangevuld met nog honderd andere inwoners een boetereis te ondernemen naar een groot aantal kerken (maar liefst zesentwintig van Terwaan tot Rijsel, Gent, Brugge, enz..) uit het graafschap. Het bezoek aan de aangewezen kerken moet gebeuren op blote voeten en in ondergewaad. De gestraften moeten processiegewijs elke kerk binnentreden met een roede in de hand en onder het opzeggen van het ‘Miserere mei Deus’ waarna ze dan de ‘discipline’ ontvangen.

De Nieuwpoortenaars dienen honderd pond te betalen voor de bouw van een kapel waar regelmatig missen zullen worden opgedragen voor de vermoorde priesters en er volgen nog een reeks boetes en schadevergoedingen. Maar dat is nog niet alles. De Nieuwpoortenaars worden verplicht een burg, een ‘fortalitiam’, te bouwen in de stad. De burg moet ten dienste staan van de gravin van Vlaanderen. De bevolking moet met eigen handen de grachten van de burg delven. Alle inwoners tussen de veertien en zestig jaar moeten een eed afleggen waarbij ze zich ertoe verbinden om in geen geval nog verder kwaad of schade te berokkenen aan de kloosterlingen van Sint-Walburga.

Binnen de veertien dagen moeten alle vernoemde inwoners een brief ondertekenen en deze te laten geworden aan Sint-Walburga. De rist straffen zorgt ervoor dat er moeilijke tijden in het verschiet liggen voor de Nieuwpoortenaars. De last wordt nog versterkt door het feit dat de mensen van aanzien en invloed maandenlang afwezig zullen blijven om hun boeteverplichtingen na te komen in de kerken van zowat heel Vlaanderen.

En dan spreken we nog niet over de bannelingen die één jaar van huis zullen blijven. Velen zien die lastige tijden in Nieuwpoort niet zitten en trekken weg naar andere plaatsen. Veel vissersgezinnen verlaten Nieuwpoort omdat het leeuwendeel van de betalingen nog maar eens ten laste van de vissers dreigen te vallen.

Maar waar kunnen ze heen? De vissers trekken niet ver van de stad, naar Vloedgad, Nieuwendamme en Orot. Zelfs Lombardie wordt opnieuw in het leven geroepen. Ondertussen moeten de mensen die in de stad gebleven zijn zich aanpassen aan de pijnlijke situatie. Het stadsbestuur van Nieuwpoort is te ontredderd en ontzenuwd om tegenmaatregelen te treffen tegen de mensen die de stad verlaten. Pas later, wanneer de wedergeboorte een feit wordt, zal ingegrepen worden.

Na de verwoesting van 1213 wordt er slechts één parochiekerk heropgebouwd. En het is niet langer dezelfde kerk als vroeger. De vroegere Sint-Hildaparochiekerk, gelegen in het westelijke Cuetewic, wordt niet heropgebouwd. Dat gebeurt evenmin met de Sint-Laurenskapel. De mensen moeten het nu redden met één kapel: de boetekapel die ze als straf moeten bouwen ter nagedachtenis van de vermoorde priesters. ’t betkin van onser vrouwen’, de Onze-Lieve-Vrouwkapel krijgt daardoor op korte tijd het statuut van parochiekerk en zal voortaan de hele stad moeten bedienen.

De nieuwe burg wordt opgebouwd tussen de Potterstraat en de Deroolaan en vervangt de in 1213 verwoeste Duivetoren. Het bouwwerk komt er niet om de stad te beschermen tegen de buitenwereld maar om controle uit te oefenen op de Nieuwpoortenaars zelf en nieuwe buitensporigheden van de stedelingen in de kiem te smoren. De burg staat dan ook pats in het centrum van de stad. Beschermende muren rond de slotgracht zijn vermoedelijk niet nodig. Een burg zoals die in Nieuwpoort werd eerder gebouwd in Newcastle in de periode 1172-1177.

Kort voor 1227 hadden de inwoners van Nieuwpoort een nieuwe vaart gegraven. De Oude Veurnevaart vormt de verlenging van de Beveric, nu de Beverdijk, naar Nieuwpoort toe en naar de zee. De Oude Veurnevaart verbindt de Noordvaart met de Onie, dit is de zeehaven van Nieuwpoort, dicht bij het hedendaags spoorwegstation. Het delven van de Oude Veurnevaart aan de westkant van de stad was nochtans niet zo voordelig voor Nieuwpoort. Het stedelijk grondgebied dat zich uitstrekte naar de Groenendijk en naar de zee werd door de nieuwe vaart effectief afgescheiden van de stad.

Er werd niet eens een brug voorzien. Wie westwaarts moest, was genoodzaakt een omweg te maken langs de vaart om uiteindelijk via de Arkeburg in de stad te kunnen bereiken. Het betekende een nadeel dat echter niet opwoog tegenover de grote voordelen die de vaart opleverde voor de stad. Niemand kon de tragedie voorzien die zich in 1236 zou voordoen in Nieuwpoort. Na die tragische gebeurtenissen hebben vreemde machten, zowel kerkelijke als burgerlijke, niet nagelaten om te profiteren van de verzwakte toestand van de stad om landerijen en gebieden van dat geografisch afgescheiden gebied in te palmen.

Het verlies van het land aan de overkant van Oude Veurnevaart is een bittere pil om te slikken voor de inwoners. Een zoveelste kaakslag. Er is geen wetgeving, geen keure die toelaat dat Veurne-Ambacht het westelijk grondgebied tussen de stad en de zee mag innemen. Maar toch gebeurt het. Met medewerking van het Nieuwpoortse stadsbestuur dat niet alleen een bok schiet met die gebieden van de stad af te scheiden door het eigenhandig aangelegde vaart. Het schiet bovendien de hoofdvogel af door na te laten om het Nieuwpoorts grondgebied effectief af te bakenen. De haven die zich uitstrekt tot aan de zee en waar men een mengelmoes van loskaaien en scheepswerven aantreft, wordt verondersteld allemaal Nieuwpoort grondgebied te zijn.

Het hele domein staat trouwens onder de bescherming van de burg van Nieuwpoort en niet onder de veraf gelegen burg van Veurne. Veurne-Ambacht bezit tot in 1240 geen zelfstandige bestuurlijke of juridische bevoegdheid, zelfs niet eens in zijn eigen gebieden. Die bevoegdheden zijn tot dan in de handen van een reeks leenheren die links en rechts in de streek van Veurne een leen in bezit houden. En voor wat betreft het gebied tussen Nieuwpoort en de zee was er zeker geen lokale leenheer die aanspraak had gemaakt op die fameuze gronden.

Heel dit grondgebied is eigendom van de graaf van Vlaanderen. Het zuidelijk gedeelte werd in gebruik genomen door molenaars en door mensen die er loskaaien (scipstal) hadden. En natuurlijk ook door de zoon van Boudewijn van Nieuwpoort die er een scheepswerf, een ‘werva’ uitbaatte.

Het noordelijk gedeelte was niet geschikt voor uitbating en bleef daarom onder directe controle van de staat, die het beheer overliet aan de baljuw van Nieuwpoort. Ook op kerkelijk gebied valt het grondgebied integraal onder het gezag van de pastoor van Nieuwpoort. Het is eenvoudigweg allemaal Nieuwpoortse grond! De toestand verandert in juli 1240 wanneer gravin Johanna een keure uitvaardigt.

De strafrechtelijke en bestuurlijke macht van de leenheren wordt afgeschaft en overgedragen aan de magistraat van Veurne-Ambacht die op slag een persoon van grote betekenis wordt in de stad van Veurne. Het blijkt al snel dat de magistraat heel tuk is op een zo groot mogelijk grondgebied. En wel erg verlekkerd om dat grondgebied uit te breiden tot aan de zee. Enkele maanden eerder in februari 1240 heeft een kerkelijke commissie het grootste gedeelte van het Nieuwpoortse grondgebied tussen de stad overgedragen aan Oostduinkerke. Het betekent het einde van een dispuut dat zich sinds 1183 op kerkelijk gebied heeft afgespeeld.

Dat laatste verdient wat uitleg: een grafelijk decreet van 1183 verleende de haringtienden van Oostduinkerke aan de Sint-Niklaasabdij van Veurne. Het besluit leidt al snel tot een geschil tussen de parochies die allebei bediend werden door monniken die fungeerden als pastoor van de Sint-Niklaasabdij. De vissers van Oostduinkerke die op de parochie van Oostduinkerke zelf woonden dienden hun haringtienden te betalen in de parochie zelf.

Maar enkele Oostduinkerkse gezinnen hebben zich gevestigd in de duinen nabij het Vloedgad, midden in het havengebied van Nieuwpoort. Al snel zitten ze met een probleem: aan wie precies moeten de Oostduinkerkse vissers die bij het Vloedgad wonen hun haringtienden betalen? De twee parochies zijn het natuurlijk niet eens met elkaar. Waarom zouden ze? En wie profiteert van de situatie? De vissersgezinnen van het Vloedgad natuurlijk. Maar zolang men die gezinnen op de vingers van één hand kan tellen, waarom zou men dan het geschil laten ontaarden.

Voorlopig laat iedereen de situatie gedijen. De fiscaal gunstige toestand van het Vloedgad, nu ‘Ter Yde’ genoemd, geraakt natuurlijk bekend bij de inwoners van Nieuwpoort die huiveren voor de hogere belastingen die ze vanaf 1236 dienen af te dokken. Zo ontstaat er in die periode een massale uitwijking van Nieuwpoortse gezinnen naar het Vloedgad. Het geschil tussen Oostduinkerke en Nieuwpoort laait weer op. ‘Voor wie zijn nu eigenlijk die haringtienden aan het Vloedgad?’ Petrus de Doy, de bisschop van Terwaan, stelt in 1239 twee scheidsrechters aan om een einde te maken aan de ‘discordie que est super limiatcione parrochiarum de Novu portu et de Dunkerka’.

De priesters Thomas van Oostduinkerke en Nikolaas van Nieuwpoort worden verzocht zich onmiddellijk neer te leggen bij de uitspraak. De scheidsrechters van dienst zijn de abt van Zonnebeke en de proost van Lo. Het verdict valt in februari 1240. De abt en de proost zijn natuurlijk de moord op de twee priesters niet vergeten en vereffenen meteen de rekening met Nieuwpoort: heel het grondgebied langs de linkeroever van de haven van Nieuwpoort wordt, tot op een boogscheut van de Oude Veurnevaart, overgedragen aan Oostduinkerke. De scheidingslijn wordt voortaan vastgelegd aan de havengeul.

De onbewoonde rechteroever, het schorreland, blijft Nieuwpoort. De rest verhuist naar Oostduinkerke. De schorren worden aan het gezag van de baljuw van Nieuwpoort toevertrouwd. De baljuw van Veurne krijgt een vrijgeleide om het hele gebied tussen Nieuwpoort en de zee toe te voegen aan zijn kersvers gebied Veurne-Ambacht. Een volle generatie heeft in de periode tussen 1213 en 1240 werkelijk niets anders dan tegenslagen gekend. Maar de kaakslag van 1240 is iedereen te ver gegaan. Er wordt gebogen, er wordt verkropt maar tegelijk ontstaat bij de bevolking een ongekende koppigheid en hardnekkigheid: ‘hier zullen we het niet bij laten!’

Bij de dood van Johanna van Constantinopel in 1244 volgt Margaretha haar zuster op. Gravin Johanna is in de hele kwestie wel erg drastisch opgetreden tegenover de stad Nieuwpoort. Ze misbruikt de toestand om de vervanging van de nieuwe burg op kosten van de mensen te laten uitvoeren. Eigenlijk is de staat hiervoor verantwoordelijk, maar ze weet die verantwoordelijkheid zeer handig van zich af te schuiven.

Met de moord op de priesters van Sint-Walburga was ze geen benadeelde partij. Dus waarom moet zij vergoed worden? En de verwoesting van 1213 dan? Het was potverdorie Nieuwpoort die de rekening gepresenteerd kreeg omdat haar burggraaf steun gaf aan graaf Ferrand tegen de Fransen. Margaretha, de jongere zuster van Johanna van Constantinopel komt op de troon in 1244. Ze weet maar al te goed welk onrecht haar zuster heeft aangedaan aan de stad.

Ze zal er alles aan doen om het onrecht te herstellen. Amper twee jaar later springt ze in de bres om Nieuwpoort te helpen. Het Vloedgad wordt terug geschonken aan de stad. 6 augustus 1246 geldt als een historische dag voor heel Nieuwpoort.

Op die dag vaardigt Margaretha te Gent een decreet uit met volgende tekst: ‘Dat een ieder wete dat wij Renier ‘Rainerus’, onze baljuw van Veurne, aanstellen en hem de macht toekennen, om in onze plaats en van onzentwege, in het lang en in het breed, grond en woonsteden te verstrekken, navolgens hij het nuttig zal oordelen, op de plaats genaamd Vloedgad, gelegen tegen de zee in de parochie van Oostduinkerke, aan alwie daar verblijven wil. Wij willen dat al diegenen die in voornoemde plaats verblijven of zullen verblijven, onderhorig zullen zijn aan de Wet, aan de Schepenen, en aan de Vrijheden van onze Stad Nieuwpoort, zodat zij in alle zaken die van het schepenrecht afhangen, onder de rechtsmacht staan van onze schepenen van Nieuwpoort.’

Er bestaat in die tijd een groot gebrek aan bouwgrond in Nieuwpoort. Dat heeft natuurlijk alles te maken met het groot aantal inwijkelingen, vooral vissers. Aanvankelijk dachten ze hier aan de haringtienden te ontsnappen, maar dat plan gaat niet door. Voortaan zullen ze onderworpen zijn om dezelfde belastingen te betalen als iedereen in Nieuwpoort. De haringtienden waar het allemaal mee begonnen was, blijven te betalen aan Oostduinkerke. In 1246 is de hele regio rond het Vloedgad al een bedrijvig dorp geworden met een eigen persoonlijkheid en een aparte uitstraling. Nu er weer belastingen zullen moeten betaald worden, valt de inwijking stil, maar de wijk aan het Vloedgad heeft voldoende in huis om op eigen krachten verder uit te groeien.

Het geschil van de haringtienden tussen de Sint-Niklaasabdij en de vissers van Nieuwpoort is in 1247 nog altijd niet beslecht. Hoog tijd om die zaak op te lossen en scheidsrechters aan te stellen. Tot eenieders verwondering staat Sint-Niklaas toe dat het stadsbestuur, ondanks haar status als betrokken partij, als één van de scheidsrechters zal aantreden. Het is een teken aan de wand dat het vertrouwen aan het herstellen is tussen de partijen. Er is eindelijk weer sprake van goede wil en verzoenende gedachten!

Dit is een fragment uit Boek 2 van De Kronieken van de Westhoek

Article Categories:
fragment uit deel 2
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Comments are closed.