12 oktober 1917. Vrijdag. Vandaag trokken onze troepen verder op weg naar de hellingen van Passendale Ridge, strijdend op weg in noordoostelijke richting naar het dorp van Passendale zelf die ik vanochtend zag dreigen door de mist en de witte rook van granaatvuur, zijn puinhopen met de allure van een vervallen middeleeuws kasteel dat neergestreken was op de top van zijn heuvel.
Het was een dag van zware gevechten geweest en het opperste succes zou enkel maar kunnen behaald worden dankzij de geestkracht en de overtuiging van mannen die wilden winnen in het aangezicht van hele zwermen mitrailleurkogels, scherp granaatgeschut en de regen die het terrein veranderd had in iets waar geen enkel slagveld in de geschiedenis kon aan tippen. De vijand had – als we de krijgsgevangenen tenminste mochten geloven – onze aanval verwacht.
Dat was duidelijk te zien aan de snelheid waarmee de Duitsers hun defensief spervuur hadden opgezet, de agressieve manier waarop ze vannacht onze achtergelegen linies met granaten hadden bestookt en nog andere niet te ontkennen signalen dat ze er deze keer wel klaar voor waren. Misschien had de voorbije aanval van twee dagen geleden, door die wilde storm en modder van toen hen verwittigd dat zelfs de slechtste natuurelementen de geallieerden niet zouden afstoppen.
Aangezien onze troepen nu al zaken gerealiseerd hadden die ze eerder als onmogelijk beschouwd hadden, zat de kans er volgens de Duitsers dik in dat we klaar waren om ons in een nog groter avontuur te storten. Voor mij persoonlijk leken deze veldslagen zonder meer de meest gewaagde die ooit ondernomen werden door grote eenheden van manschappen. De sterkte van de vijand – de Duitsers stonden nog altijd heel stevig op de poten – en de moed van hun soldaten die tot de grootste ter wereld mocht genoemd worden waren nog niet eens de grootste hinderpalen die onze jongens vandaag moesten overwinnen.
We hadden de vijand eerst een degelijk spervuur toegediend en de jongens stonden nu klaar om de Duitse pillendozen te veroveren nadat we er met onze granaten de kwaadaardigste angels hadden uit verwijderd. Maar de modder van Vlaanderen en de drassige poelen die in de weg lagen, die nachten van duisternis en regen in zijn moerassen, dat waren de echte verschrikkingen die onze mannen vandaag dienden te overwinnen.
Toch waren ze allemaal overtuigd geweest van hun lot vandaag, ze wilden elkaar met hand en tand bijstaan, met hun verbazingwekkende moed om de grond te veroveren zoals hen dat opgedragen was. Drie dagen geleden hadden de mannen van de Lancashires en de Yorkshires na hun ongelooflijke elfurenmars onder elkaar gezworen om hun werk hier af te ronden. Ze waren toen niet zo ver geraakt als gehoopt, maar toch hadden ze zaken gerealiseerd die men van mannen in dergelijke condities niet had mogen verwachten.
De jongens die nu vandaag op hun startlijn stonden voor de opmars naar Passendale hadden dat ongetwijfeld te danken aan hun kameraden van het noorden van Engeland. De Nieuw-Zeelanders die de overtocht zouden uitvoeren, zwoeren dat ze met een beetje geluk – en zelfs zonder geluk – daar in Passendale hun vlag zouden planten.
Onder die mannen smeulde een grimmig vuur dat maar weinig goeds voorspelde voor de vijand die het tegen hen zou moeten opnemen. Hier was geen sprake van ijdele retoriek om wat extra kleur te geven aan het duister beeld van deze oorlog, maar wel van een sobere waarheid van wat gisteren geleefd had in de hoofden van die Nieuw-Zeelanders die maar al te klaar waren voor deze nieuwe veldslag.
Het bleek bijzonder moeilijk om onze manschappen op hun plaatsen te positioneren in de buurt van de aanvalslijn. Dat had natuurlijk te maken met het vuil karakter van de grond. Diegenen die al sinds gisterennacht op hun posities hadden gelegen (sinds woensdagnacht) wisten al dat het overdag niet bepaald comfortabel geweest was in deze verzopen velden. Met de nodige lef en dankzij de inspanningen van de dragers en de transportofficieren die hun leven in de weegschaal legden konden we toch ons bivak opslaan.
Dit was gebeurd in een volslagen duisternis en net voor de neus van de vijand zodat onze mannen niet het minste gerucht hadden mogen maken in deze gietende regen en net voor zonsopgang werden ze er weer teruggehaald om hun constructies niet bloot te geven aan de Duitsers. De vuurlinies beschikten nu over voedsel en warme dranken en een deel van de kou en verschrikking van de nacht werden wat verlicht.
Er was een duidelijke lijn vooropgesteld met de specifieke zone waar onze kanonniers vanochtend hun spervuur zouden moeten op richten. Sommige van onze troepen waren nog altijd onderweg en hun jongens moesten zich al even langdurig door de nacht worstelen als de Lancashires drie nachten geleden. Hun avontuur zou even hachelijk verlopen. Ook zij zouden in de granaatkraters struikelen, blind hun weg moeten zoeken door deze woeste regenval, elkaar door de modder sleuren, spartelen door slijk en granaatvuur.
Van 17u gisterenavond tot amper enkele minuten voor de aanval op Passendale van start zou gaan. De vijand hield zich intussen onledig met het afschieten van zijn mitrailleurs en kanonnen om elk van onze mannen die zich ook maar durfde te verroeren aan te pakken. Over Zonnebeke schoten ze een hevig spervuur af en het was maar met een ferme portie geluk dat ze een groep van onze jongens daar in de buurt gemist hadden.
Maar de Duitse explosieven teisterden een brede zone, altijd maar meer granaten die huilend door de duisternis naar beneden druisten en telkens tot ontploffing kwamen met hele gordijnen van opspattende natte aarde. Kleine groepjes van onze jongens probeerden de explosieven zo goed als mogelijk te ontwijken en verborgen zich in de granaatkraters die soms anderhalve meter diep met water stonden en een dreigend risico voor een onmiddellijke dood met zich meedroegen.
En dan kwamen de gasgranaten er jankend aan, met hun kleine zonderlinge puffen helemaal anders dan die van de gewone granaten. De natte wind stak vol met giftige dampen die pijn deden aan de ogen en de huid zodat onze mannen hun gasmaskers dienden op te zetten en op die manier door deze ergste duisternis moesten waden. Deze toestanden en de weg die moest gegaan worden zouden voor de meeste soldaten zenuwslopend zijn en hen overmannen met een ziekelijke angst. Maar hier maakten deze omstandigheden de Nieuw-Zeelanders net kwaad, zo kwaad dat ze dreigden in een blinde woede los te barsten.
‘Naar de hel met hen’, hoorde ik sommigen zeggen, ‘we zullen hen niet sparen als we straks over hen heen lopen, we zullen ze laten betalen voor wat ze vannacht allemaal uitspoken’. Ze spraken wilde en vlammende woorden uit, vervloekten de vijand en het weer, de storm van granaten en de waanzin van dat allemaal.
–
Uit ‘De Grote Kroniek van Ieper’ – werk in opbouw –


