Ook kwaadspreken wordt niet getolereerd. Een man wordt voor vijftig jaar uit het land verwezen omdat hij ‘blameerlijke en onverdraaglijke woorden gezeid hadde achter Corneliken Bernaige, die een kind ende eerbaar maagdeken is, in beroovinge van hare ere ende eeuwige welvaart’. Margherite, het wijf van Jan Staessens, wordt om gelijkwaardige roddelpraktijken uit de gemeenschap verwijderd. Ze heeft zich van haar slechtste zijde laten zien, ‘en met kwade wille ende in den openbare te blameren Lysbette van Hauwaert. Als dat dezelve Lysbette een kwade puppe, hoere en snoere was en andere injurieuse woorden, ten hare cleenighede gesproken, zonder cause of redene daartoe te hebben.’
De straf van de verbanning is als puntje bij paaltje komt de ideale manier om volksopstanden te doen ophouden. De schrijver van mijn boek geeft dat ook aan. Volksbewegingen en inwendige beroerten, zo gemeen in die tijden, werden bij middel van ‘ostracismus’ of ballingschap bestreden. Zo kon de algemene rust in de steden van Vlaanderen gehandhaafd worden. De aanzienlijkste en de machtigste burgers werden op hetzelfde niveau geplaatst als de geringste ingezetenen van de gemeenten als ze een bedreiging begonnen te vormen voor de rust en de stabiliteit. Men zag ze meermaals van daar verwijderd worden na beschuldiging van muiterij.
Het uitspreken van oproerige woorden, het uitgeven van spot- en schimpschriften, het uitstrooien van valse en slechte geruchten, het schelden of beledigen van gezagsdragers, en vooral de aanslagen en de inbreuken op de plaatselijke rechten en privileges werden tussen 1472 en 1537 niet anders dan door ballingschap gestraft.
Cannaert zwaait met een voorbeeld. Robrecht van der Hoeven wordt op 28 maart 1478 voor 10 jaar uit Gent verbannen. Er is een publiek arrest geweest dat Johan de Gheest de zeggenschap kreeg over Ronse en de man heeft publiekelijk verklaard ‘dattal leugen was’. Lievin Turck riskeert het om in oppositie te treden tegen Jan van Dadizele. Die laatste wil taksen heffen zodat de soldaten kunnen betaald worden. Turck staat te zwaaien voor het schepenhuis dat ze er nog niet aan denken om deze kosten te dragen. Iets wat hem korte tijd later natuurlijk zwaar opbreekt.
In de oudste tijden bestond er toch ook al zoiets als gratie. Vorsten en bisschoppen konden bij hun blijde inkomst in een of andere stad soms ballingen of uitgeweken inwoners in hun gevolg opnemen. Er konden zelfs gevangenen tussen zitten. Op die manier werden hun vrijheid en hun burgerschap hersteld. Voorspraak van goede vrienden, goedkeuring van de magistraat en natuurlijk de goodwill van prins en bisschop gingen vooraf aan deze hernieuwde intrede. Het is een vreemdsoortige gebeurtenis. De mannen en vrouwen worden aan een lijn of een touw met de hofstoet binnen de stadspoorten geloodst.
Cannaert citeert enkele van die blijde intredes. De hertog van Alençon brengt op 20 augustus 1582 achttien ballingen ‘in eene touwe besloten’ omtrent Sint-Amandsberg in de stoet. Zevenhonderd vierentachtig verbannenen krijgen van Karel de Stoute hetzelfde voordeel. In 1419 arriveert kersverse graaf Filips de Goede te Gent en die entree staat ook in de middeleeuwse boekskes vermeld:
‘Anno 1419: alle ballingen, die vijftig jaar gebannen zijn, te dezer tijd geen gratie hebben insgelijks ballingen van vredebrake ende soenbrake zullen moeten uitblijven haren tijd. Die tien jaren en drie jaren gebannen zijn, zullen gratie hebben. Daar waren 60 personen die gratie hebben, ende alle die vervallen waren van zestig pond boete ende daar onder, schold de prince kwijt ende begeerde dat mensen uut den boek van schepenen zouden geschrapt worden.’
Er bestaat in de middeleeuwen nog een straf die bekend staat als de ‘amande honorable’, de eerlijke betering. Die komt neer op een openbare schuldbekentenis met daarbij boetedoening over de gepleegde misdaad. De verwezene moet ongeschoeid, met ontbloot hoofd, vaak met roeden omgord, met een toorts in de hand openlijk zijn schuld toegeven. De boeteling moet God, de justitie en het volk om vergiffenis smeken en achteraf op het voorziene traject van de processie (de ommegang) met zijn brandende toorts zijn weg banen naar een kerk. Hier moet hij zijn fakkel opdragen aan het H. Sacrament of aan een of andere heilige.
Een zekere Jan Ghys houdt zich in zijn oude dag onledig met het belezen van beesten en het ‘ontoveren van betoverde boter’. Hij vliegt in september 1588 tegen de lamp en moet voor de rechter verschijnen. ‘U gebruikt superstitieuse ende onbekende woorden’, verwijt die hem. ‘Onbekende woorden metgaders zekere en particuliere specien van maechdewasse ende parchemyne, wezende eensdeels imposture ende bedrog om de lieden geld uit hun beurze te trekken, ende eensdeels superstitie ende ongoddelijkheden.’ De vierschaar wil echter rekening houden met zijn hoge ouderdom en eist zijn publieke schuldbekentenis met als penitentie uiteraard de processie en de boetedoening.
Wat er in 1608 gebeurt met Jacobus Bulcke is best grappig. De man is een privaatruimer of een ‘stilvager’. Een vuilnisophaler met andere woorden, in die dagen omschreven als ‘stillevaegher, stilleruymer of bernsteker’. Hij wordt er van beschuldigd om tijdens de nacht het geluid van hanengeschrei te hebben nagebootst. De akte van beschuldiging past perfect in het plaatje van een ‘hidden camera’ show: ‘Jacques Bulck, filius Omaar, oud 24 jaren, arbeider, gevangen ter cause hij maandagnacht omtrent twee uur koekeloere zoude hebben geroepen, ende hij tselve bekennende, maar zegt tzelve niet in schimpe geroepen te hebben.’
Bulcke wordt veroordeeld om in zijn lijnwaad en voor de open kamer om vergiffenis te bidden. De haankraaier dient met een toorts in de hand op weg te gaan naar de Sint-Niklaaskerk en daar om vergeving van zijn zonden te bidden. Waar de heiligen zich toch allemaal mee moeten bezighouden. Arbeider Antoon (Antheunis) de Mey is in wezen ook al een grapjas. Hij heeft zich verstout om zich te verkleden in priesterkleren en zo door de stad te paraderen. Daar kunnen ze in Gent natuurlijk niet echt om lachen. Hij wordt tot dezelfde straf veroordeeld omdat hij ‘in geestelijke habijten gegaan is uut ’t klooster van O.L.V. Broeders, deurt beenhuus tot rondomme den Koornmarkt’.
Pekelzonden en baldadigheid zijn toch wel van alle tijden. We mogen er anno 2015 zeker geen claim op leggen. Kijk maar naar Jan Gallant in 1638. Als lid van de burgerlijke wacht heeft hij op de vestingen van de Brugse poort enkele jonge bomen met zijn ‘zij-geweer’ afgehakt. Die bomen werden neergepoot als sieraad en decoratie van de stad. De vernielzucht van Gallant wordt hem bijzonder kwalijk genomen. Er bestaat een stadswetgeving dat het verboden is om deze ‘plantagie’ te schenden op straffe van geseling. Als lid van de wacht wordt hij verondersteld om de gemelde bomen gade te slaan en te beveiligen tegen de moedwil van de burgers. Dat hij ze als wachter zelf vernielt, is uiteraard een stap te ver. Jan Gallant mag uiteindelijk tevreden zijn dat hij er van af komt met een publieke boetedoening.
Sommige bestraffingen verplichten daders om voor zekere tijd te vasten. De vierschaar zet de beschuldigden op water en brood. Hierbij dienen ze kaarsen te branden voor de heiligen, op bepaalde dagen mis te horen en verscheidene kerken en bidplaatsen te bezoeken. Ik haal het voorbeeld aan van Barbara Snoucx, de vrouw van arbeider Michiel vander Hoeve. Een gebeuren uit 1591. Ze brengt op de avond van Onze Lieve Vrouw, de eerste februari dus, wat overschotjes van gebakken varkensvlees (rentvlees) naar haar buurman Adriaan Wallaert. En dat bord wordt de volgende dag met smaak verorberd door diezelfde Wallaert en zijn bezoeker Christiaen Veesaert.
Wat de mannen natuurlijk over het hoofd zien, is dat de vastentijd precies begint op die 2de februari en dat ze dus zwaar aan het zondigen zijn. ‘Ja maar ja’, klaagt Barbara Snoucx, ‘ik heb er wel zelf niet van gegeten he? Hoe kon ik trouwens weten dat mijn buren dat vlees pas zouden nuttigen op de tweede februari?’ Maar ze krijgen alle drie een straf van de schepenen: ‘drie dagen te vastene te water en te broode, ende slaken dezelfde daar naar van de gevangenisse, mits betalende de kosten.’
Dit is een fragment uit Boek 6 van De Kronieken van de Westhoek


