Enkele misdaden hebben het afkappen van de vuist tot gevolg. Zo bijvoorbeeld belediging en geweld van personen met een openbaar ambt. De schrijver komt aandraven met het geval van meester-schrijnwerker Geertsen Brembos in het Zeeland van 1550. De man heeft de stadsboden met woorden en daden beledigd. Hij heeft nog ootmoedig geprobeerd om gratie te verzoeken, maar nu verschijnt hij blootshoofds voor de open vierschaar. Hij komt er vanaf met een vreemdsoortige processie naar de kerk van Vere waar hij God moet bidden om vergiffenis en er voor moet zorgen dat hij een metalen afgietsel van zijn eigen vuist zal bezorgen aan justitie.
Cannaert buigt zich ook over de vele geldstraffen en maakt dan tijd voor de verplichte bedevaarten die eventueel ook kunnen worden afgekocht. De oude kronieken en de geschreven teksten blijven vaag over de echte inhoud van die boetereizen. De mensen vertrokken en keerden terug. Reisverslagen en vertelsels over lotgevallen onderweg zijn er niet. Het is maar op het moment dat de bedevaarten zeldzamer worden dat er voor het eerst wat aandacht aan besteed zal worden. Het onlangs uitgegeven jaarboek van Kortrijk maakt slechts melding van één bedevaart. Een kanunnik van het Onze-Lieve-Vrouwkapittel mag het in 1441 aantrappen na een dispuut in de wijnkelder van datzelfde kapittel.
De boetewegen naar Rome, naar het Heilig Land en andere afgelegen plaatsen lopen nochtans dichtbezaaid van Europese christenen die uit geloofsredenen of ’ter boete van begane verkeerdheden’ hun weg banen richting bedevaartplaats. In 1305 vertrekken er in één beweging maar liefst 3.000 Bruggelingen en mensen van het Brugse Vrije. Hun groepsbedevaart maakt deel uit van een vredesakkoord met de graaf. Twintig jaar later hebben die van Brugge zich alweer ellende op de hals gehaald. Nu moeten driehonderd mannen, deels van Brugge en aangevuld met Kortrijkzanen drie verscheidene bedevaarten ondernemen. In 1326 om precies te zijn.
Honderd sukkelaars vertrekken naar Santiago de Compostella, een tweede groep heeft Sint-Gillis in de Provence als target en de rest richt zijn vizier op Rocamadour in Aquitanië. Ze moeten de kerkelijke tucht ondergaan. Een oude kroniek omschrijft de stoeten. ‘Zij gingen naar de aangegeven bidplaatsen processiegewijs, met ontbloot hoofd, barvoets en met roeden omhangen’.
En dan is er het compromis die de inwoners van Nieuwpoort hebben moeten slikken nadat ze twee geestelijken gemolesteerd hebben bij een dispuut over visbelastingen. Ik heb het er al eerder over gehad. Vijfentwintig Veurnenaars van alle rang en stand zien zich verplicht een overzeese boetetocht van een vol jaar te ondernemen. De Gentenaars hebben het in 1540 verkorven bij Keizer Karel. Na een opstand tegen de keizer verliezen ze op 30 april al hun vrijheden. Honderden neringdoeners, de plaatselijke schepenen, de notabelen en de deken van de wevers moeten zich, gekleed in zwarte tabbaarden, ontgord en blootshoofds komen aanbieden bij Karel. Ze verschijnen voor hem met een strop om de hals, ‘liggende op hun knieën, verzoekende en biddende ter eere van de passie ons Here en bermhertigheid, enz…’
Een boetereis verschilt nochtans grondig van een verbanning. Als hun tocht beëindigd is, mogen de bedevaartgangers naar huis terugkeren. De verbannenen moeten echter zorgen dat ze in het buitenland blijven zolang de ban duurt. Die kan gelden voor drie, tien, vijftig en zelfs honderd jaar plus één dag. Wie ballingen herbergt of onderdak geeft, riskeert zware straffen.
De ban voor het leven is een mensonterende straf. Dergelijke expulsie wordt in die dagen ook een ‘woestballing’ genoemd. De term ‘woesten’ intrigeert me. Is het omdat wij hier in de Westhoek een dorp met diezelfde naam kennen? De oude benaming ‘Wastina’ al gebruikt in de 13de eeuw, wijst me er op dat elke mogelijke gelijkenis hier ophoudt. Een andere betekenis van ‘Woesten’ is het verdrijven van een misdadiger uit zijn goederen en zijn bezittingen en hem verbannen. ‘In exilum agere, proscribere’.
De woestballing is voorzien voor mensen die de algemene welvaart bedreigen. Iedereen krijgt het recht om dit sujet ongestraft te doden. Gwijde van Dampierre laat dat uitdrukkelijk toe (dan moet hij er vermoedelijk zelf geen moeite voor doen): ‘het wordt en eeuwigen dage verboden dat iemand hem spijs of drank zal verkopen, logeren, in schuiten of op wagens vervoeren, op straffe van de hoogste boeten.’
Het recht om schadelijke en schandelijke personen uit de lokale maatschappij te verstoten behoort al tot de vroegste privilegies van de Vlaamse steden. De voornaamste redenen van verbanning vind ik terug na veroordelingen voor gewelddaden (tassemente), pooierschap (putierscepe) en het tolereren van overspel (gedoochsaemhede).
Het ravissant oude Vlaams doet zijn boekje open over dat pooierschap en overspel. ‘Openbare putiers zijn, die openbaarlijk geld ende profijt nemen op ’t zondig leven van lichte vrouwen, hetzij van heurlieden zelfs wijf ofte dochter ofte ander.’ De tolerantie voor overspel wordt ook verduidelijkt: ‘die ’t overspel van heurlieder wijfs of huisvrouwen dissimulerende ende door de vingeren ziende, verdragen, ende haarlieder wijfs in deze vuiligheid voeyen ende onderhouden’.
Het Gentse ballingboek getuigt dat er op 20 december 1480 maar liefst negenentwintig personen tegelijk verbannen worden. De 24ste augustus van 1494 is er sprake van van vierentwintig. Ze worden allen voor tien jaar verbannen wegens overspel. Livine Dullaerts en Godelieve Werners worden eveneens schuldig bevonden aan hetzelfde misdrijf. ‘Omdat er zich bij bij haar kennisse een andere getrouwde wive bij haar man onthoudt, zeggens dat hij ’t niet laten en zoude.’
Onbetaalde teergelden en drinkgelagen worden ook op dergelijke manier bestraft. In het vakjargon worden ze nu zelf getrakteerd met jaren van verbanning. Lieven van Outrieve is zo’n schulden- en ruziemaker op café: ‘omdat hij twisten en noisen maakt, en gaat drinken in tavernen en hunne weerden en weerdinnen betalinge doet met meer met slagen dan met gelden te geven.’ Neelkin van den Broucke uit Lauwe krijgt in 1488 ook 10 jaar aan haar broek gesmeerd. Een speciaal geval die mevrouw: ‘ze deed een jonge man verstane dat zij zou gelegen en misbaren zijn van zijn kind, die dat begeerde te zien, en hij brak de kiste open waar hij vond liggende een gevilde katte, die zij meende te doen begraven op gewijde grond, ’t welk niet ongepugnierd konde blijven.’
Dit is een fragment uit Boek 6 van De Kronieken van de Westhoek


