banner
mrt 5, 2025
143 Views
Reacties uitgeschakeld voor Ruzie in Veurne

Ruzie in Veurne

Written by
banner

En zo kan ik verder met het leven hier in Veurne. Ik laat enkele evenementen en huwelijksfeesten aan me voorbijgaan tot ik één jaar later halt houd op 19 juni 1494. De broeders van de boogschuttersgilde van St.-Joris hebben eindelijk nog eens de oppergaai geschoten tijdens de schieting van Veurne. De gelukwensen, de vreugdetaferelen en de zesten wijn vliegen in het rond. Al die euforische taferelen maken plots weer plaats voor de realiteit van de dag. De parochianen van de Sint-Niklaasparochie in Veurne zouden graag renovatiewerken uitvoeren aan hun kerk en verzoeken aan de raad van Vlaanderen om de kosten ervan te laten betalen door alle inwoners en vooral ook die van buiten de stad. Vier jaar lang zal er telkens vijftig pond ‘gepoint’ worden, de rest zal moeten komen van ommegangen en aalmoezen.

De Sint-Niklaaskerk staat er rond 1494 inderdaad maar triestig bij. Een middelste beuk met twee onderlatten, één aan zuidelijke en één aan noordelijke kant, ‘dewelke in zeer slechte staat waren en bedekt met stro’. De middelbeuk en de onderlatten zullen in 1494 afgebroken worden en ‘alsdan werd begonnen met het metselwerk van de drie beuken met twee rijen pilaren in het middel, gelijk men dat tegenwoordig ziet. Het metselwerk werd het daaropvolgende jaar 1495 vervolmaakt. Alsdan werden de muren bedekt om niet te bederven. Daar stonden verscheidene woonhuizen neffens het zuidelijk onderlat, waaronder bijvoorbeeld het pastoriehuis. Al deze werden afgebroken om de zuidbeuk aldaar te stellen.’

Tijdens 1496 wordt naarstig verder gewerkt aan het houtwerk van de nieuwe beuken. In 1497 en 1498 volgen de schalies op het dak en het plaatsen van glazen ramen. De schrijver slaakt een zucht van verlichting. ‘Wat een grote en schone kerk is het geworden.’ Ook het stadsbestuur heeft zijn duit in het zakje gedaan. De andere prominenten eveneens. Mevrouw de burggravin is een godvruchtige vrouw en die toonde zich eveneens mild. En eigenlijk is het maar het minste wat ze kunnen doen. De leden van het stadsbestuur hebben nu weer een eigen stek om te bidden in de kerk, want geef nu zelf toe; met hun positie in de maatschappij kan je toch moeilijk tussen de mensen staan of knielen. Mevrouw bezit haar eigen ‘oratoor’ en de schepenen prevelen hun liturgie in het koor zelf.

Het stadsbestuur van Veurne ondergaat vanaf 1494 opmerkelijke veranderingen. In de goede oude tijd waren er bij elke legislatuur twee burgemeesters, twaalf schepenen en twaalf raadsleden die de zaken in goede banen leidden. Het aantal schepenen werd met verloop van tijd vanwege gebrek aan middelen verminderd tot negen en de raadsleden verdwenen allemaal. Hertog Filips de Schone krijgt een officieel verzoek om na de oorlog een en ander recht te trekken in het bestuur van de stad. Van de negen schepenen blijken er trouwens altijd enkele tussen zitten die niet erg ervaren zijn in de rechtspraak en zelfs niet eens de moeite doen om de zittingen van de vierschaar bij te wonen. Op 3 november 1495 stemt Filips er mee in dat er voortaan weer raadsleden mogen functioneren. Ze zullen hiervoor elk 10 ponden per jaar ontvangen.

In tijden van oorlog klitten de mensen van stad Veurne en die van de wijde buitenomgeving altijd goed samen. Het einde van de oorlog lijkt wel een signaal voor de besturen van Veurne-stad en van de kasselrij van Veurne om met elkaar in de clinch te gaan. Pas dan merk je op welke verschillende werelden ze bewonen. De ruzies en de geschillen gaan zoals gebruikelijk over taksen en lasten die de een wil opzadelen op de ander zijn nek. Ze zwaaien langs hier en langs ginder met pointingen en privileges, termen als keurbroeders en poorters vliegen me om de oren.

Op een marktdag, die van 18 november 1495, komt het weer eens tot een uitbarsting. De poorters van Veurne moeten sinds kort weer taksen betalen op de opbrengsten van hun land op den buiten nadat ze daar een tijd van werden vrijgesteld wegens de oorlog. De nieuwe lasten hebben te maken met de grote kosten die de oorlog met zich meebracht aan de stedelijke infrastructuur. Het is een beslissing van de schepenen van de kasselrij die op grote weerstand botst. Die 18de november kan ik dat ook letterlijk opvatten. De raadsleden en schepenen bevinden zich tijdens de markt in de buurt van hun ‘gyselhuus’ als ze plots aangepakt worden door boze stedelingen.

‘De poorters begonnen op hen te roepen en te lasteren en ze vergenoegden zich niet alleen bij verbaal geweld en wierpen hen allerhande vuiligheid naar het hoofd. Aldaar vergaderde welhaast een grote hoop van ’t gemeente der stad die naar hen toeliepen zodat die van de kasselrij wel verplicht waren om weg te trekken van hun gijzelhuis.’ De massademonstratie loopt uit de hand, enkele heethoofden ruiken bloed en willen zich wreken op enkele burgers van Veurne. Joos Wijts en Pieter Bru, beiden poorters van de kasselrij, verdwijnen voor twee weken achter de tralies en zullen pas dan onder druk van de hoge Raad bevrijd worden. De aanstokers zijn prominente poorters van Veurne zelf: Brunfaut Ternynck en Jacob De Bergh. Al de strubbelingen zorgen voor grote meningsverschillen tussen de besturen van Veurne en die van de kasselrij van Veurne-Ambacht, ‘waardoor deze zaak gesteld werd in processe, eerst in de raad van Vlaanderen en daarna in de Hoge Raad.’

Hoge Raad, hoge woorden. De leden van het magistraat van de kasselrij zijn woedend om de agressie op hun genoten en beslissen om hun vergaderingen niet meer binnen de stad te houden en die achter zich te laten. Engelbert, de graaf van Nassau die als gouverneur de lakens uitdeelt in Vlaanderen krijgt hun verzoek voorgeschoteld. Als de burgers van Veurne hen beletten om gebruik te maken van hun voorrechten en hen kwaadwillig en onredelijk behandelen dan zit er niets anders op dan elders te vergaderen. Nassau kan weinig anders dan de mannen van Veurne-Ambacht voorlopig hun zin te geven al is het dan maar tot aan een volgende bijeenroeping van het hof.

‘Met die toelating op zak vertrok het magistraat uit de stad in de sinksenweek van het jaar 1496. Met al hun goed, suppoosten en aanhang en ze trokken naar Alveringem. Aldaar hielden ze een jaar lang hun vergaderingen, doende wet en recht in het huis gelegen neffens het kerkhof, aan de zuidoosthoek ervan.’ De reactie achteraf van de Veurnenaars toont nog maar eens hoe dwaas wij mensen toch kunnen zijn. Ik denk meteen aan spreekwoorden zoals ‘spijt wie het benijdt’, of ‘wie zijn gat verbrandt’ en andere varianten. ‘Die van Veurne, ziende dat hun stad daardoor zeer veel inwoners verloren had en ook al de zaken die de kasselrij aangingen werden nu op het platteland geregeld waardoor de kleine nering van de stad zeer verviel.’

Er volgt dus zware druk op de aartshertog van Vlaanderen en de raad van Vlaanderen om de verhuis ongedaan te maken, gevolgd door hevig verzet van de landhouders en de keurheren die de nieuwe situatie verkiezen boven al het geweld en de moedwilligheden van de binnenpoorters van Veurne. Het vertrouwen is gebroken en deze zaak blijft lang onbeslist totdat ten langen leste een aantal zwaargewichten er zich mee gaan bemoeien om de plooien glad te strijken. Die van Veurne en van Veurne-Ambacht die niet door dezelfde deur kunnen, is eigenlijk te zot voor woorden vinden ze.

Die ‘ze’ zijn onder andere de abten van Ter Duinen en Sint-Niklaas, meneer Ronny, mevrouw de burggravin en de hoogbaljuw. Ook de respectabele landhouders Joos van Ekelsbeecke en meester Renaut Knibbe trekken mee aan de kar van de verzoening waardoor het met Sinksen van 1497 weer peis en vree wordt in Veurne en de oude toestand terugkeert. Het blijft nu enkel nog wachten op een officieel besluit van de hoge raad dat zal volgen op 22 september van hetzelfde jaar.

Dit is een fragment uit Boek 6 van De Kronieken van de Westhoek

Article Categories:
fragment uit deel 6
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Comments are closed.